Rechtspraak
Raad van State
2025-10-28
ECLI:NL:RVS:2025:5131
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
801 tokens
Inleiding
BRS.24.000472
ECLI:NL:RVS:2025:5131
Datum uitspraak: 28 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 2 december 2024 in zaak nr. NL24.44609 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 10 november 2024 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 2 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D. van Elp, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Appellant klaagt in zijn enige grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat het bericht van 13 november 2024, waarin staat dat zijn asielzaak zal worden voortgezet in de AA-procedure, geen aanleiding is geweest om de grensdetentie op te heffen. Uit dit bericht maakt de Afdeling op dat de minister heeft geconcludeerd dat het asielverzoek van appellant niet binnen de grensprocedure verder kan worden behandeld. De minister had de grensdetentie daarom moeten opheffen op 13 november 2024. Omdat dat niet is gebeurd, was de grensdetentie vanaf die dag onrechtmatig (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3148, onder 5.3). De grief slaagt.
2. De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de grensdetentie vanaf een eerder moment dan 13 november 2024 onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan appellant toegekend. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 2 december 2024 in zaak nr. NL24.44609;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. kent aan appellant een vergoeding toe van € 1.300,00 over de periode van 13 november 2024 tot en met 25 november 2024, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.814,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Jong, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2025
981