Rechtspraak
Raad van State
2025-02-12
ECLI:NL:RVS:2025:488
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
630 tokens
Inleiding
BRS.24.000195
ECLI:NL:RVS:2025:488
Datum uitspraak: 12 februari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 22 mei 2024 in zaak nr. NL24.18228 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 23 april 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 22 mei 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.J. Schüller, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat artikel 55, tweede lid, van de Vw 2000 niet volstaat als grondslag voor het zonder toestemming onderzoeken van mobiele telefoons. Maar de minister komt in zijn enige grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek aan de mobiele telefoons van de vreemdeling leidt tot de onrechtmatigheid van de grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:132, onder 4 tot en met 4.7.1.
1.1. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 22 mei 2024 in zaak nr. NL24.18228;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. de Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2025
1020-846