Rechtspraak
Raad van State
2025-10-02
ECLI:NL:RVS:2025:4703
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
706 tokens
Inleiding
202502277/1/V1.
Datum uitspraak: 2 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant 1], [appellant 2] en [appellant 3],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 24 maart 2025 in zaak nr. NL24.40152 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hun een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen.
Bij uitspraak van 24 maart 2025 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, bepaald dat de minister voor 29 september 2025 alsnog een besluit op de mvv-aanvraag bekendmaakt en dat de minister een dwangsom moet betalen van € 100,00 voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,00.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 26 augustus 2025 heeft de minister aan appellanten een mvv verleend.
Appellanten hebben op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Het hoger beroep van appellanten gaat uitsluitend over de duur van de door de rechtbank bepaalde beslistermijn voor het nemen van een besluit op de mvv-aanvraag in het kader van nareis.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Met de door de minister verleende mvv, hebben appellanten bereikt wat zij met de mvv-aanvraag beogen. Daarom hebben zij geen belang bij de beoordeling van het hoger beroep.
3. Niettemin zal de Afdeling beoordelen of zij de minister met toepassing van artikel 8:75 van de Awb tot vergoeding van de proceskosten moet veroordelen. Daarvoor bestaat volgens de Afdeling in dit geval geen aanleiding, omdat appellanten in hoger beroep worden vertegenwoordigd door hun echtgenoot en vader, tevens referent in deze procedure. Appellanten en referent behoren tot dezelfde huishouding. Het gaat hier daarom niet om door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5413, onder 10.1.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2025
1028