Rechtspraak
Raad van State
2025-09-04
ECLI:NL:RVS:2025:4274
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
582 tokens
Inleiding
202504833/1/A2.
Datum uitspraak: 4 september 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend in Amsterdam,
verzoeker,
en
het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam,
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 4 september 2025 om 10:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter
Griffier: mr. O. van Loon
Jurist: mr. A. Wolda
Verschenen:
[verzoeker];
het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. Wijnen.
=
=
Het verzoek betreft het besluit van het college van 28 juli 2025, waarbij het college heeft bepaald dat het instellingscollegegeld voor [verzoeker] €15.800,00 bedraagt voor het studiejaar 2025-2026. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht het college te gelasten hem totdat op het bezwaarschrift is beslist in te schrijven voor het studiejaar 2025-2026 tegen het geïndexeerde instellingscollegegeld van €8.600,00.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Gronden
[verzoeker] is inmiddels ingeschreven voor het studiejaar 2025-2026 voor de bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid. Op 30 augustus 2025 heeft hij een betalingsmachtiging afgegeven om in termijnen het collegegeld te voldoen. Dit betekent dat hij kan deelnemen aan het onderwijs. De eerste maandelijkse termijn zal eind september worden afgeschreven. Het college heeft op de zitting verder verklaard dat de beslissing op bezwaar zal zijn genomen voordat [verzoeker] eind oktober de tweede termijn moet betalen.
Omdat [verzoeker] ter zitting heeft aangegeven de eerste termijn te kunnen betalen en hij kan deelnemen aan het onderwijs, is er op dit moment geen dringende reden om hangende de bezwaarprocedure een voorlopige voorziening te treffen. Omdat er dus geen spoedeisend belang is, komt de Afdeling niet toe aan een verdere inhoudelijke behandeling. Het verzoek wordt afgewezen.
Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Willems
voorzieningenrechter
w.g. Van Loon
griffier
284-1112