Rechtspraak
Raad van State
2025-09-05
ECLI:NL:RVS:2025:4247
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
782 tokens
Inleiding
BRS.25.001076
ECLI:NL:RVS:2025:4247
Datum uitspraak: 5 september 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 7 augustus 2025 in zaak nr. NL25.21578 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 9 mei 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 7 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat de uitspraak van de rechtbank wordt geschorst totdat de Afdeling op het door haar ingestelde hoger beroep heeft beslist, zodat zij betrokkene tijdens het hoger beroep mag overdragen aan Frankrijk.
2. Gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter van de Afdeling kan een verzoek dat ertoe strekt dat betrokkene kan worden overgedragen, alleen treffen als er geen gerede twijfel over bestaat dat betrokkene geen reëel risico loopt om bij overdracht terecht te komen in een situatie in strijd met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM. De voorzieningenrechter constateert dat de vraag of dat zo is, in dit geval nader onderzoek vergt, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Het verzoek kan daarom niet worden toegewezen (uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1029, onder 5.2).
3. De voorzieningenrechter van de Afdeling wijst het verzoek af. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C.S. Heinen, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Heinen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2025
984