Rechtspraak
Raad van State
2025-08-25
ECLI:NL:RVS:2025:4064
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,883 tokens
Inleiding
202503049/1/V1.
Datum uitspraak: 25 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 30 april 2025 in zaak nr. NL23.18978 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 27 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
Bij uitspraak van 30 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover dat gaat over de ingangsdatum van de verblijfsvergunning, de ingangsdatum van de verblijfsvergunning bepaald op 24 juni 2022 en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van dat besluit.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.A. Krikke, advocaat in Bussum, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. In de enige grief betoogt appellant terecht dat de rechtbank een punt te weinig heeft toegekend bij de berekening van de proceskostenvergoeding. In de uitspraak van de rechtbank staat onder 1.2 dat de rechtbank zonder zitting uitspraak doet en onder 9 dat zij aan appellant één punt toekent voor het indienen van het beroepschrift. Uit de beslissing tot heropening van het onderzoek van de rechtbank van 15 april 2024 blijkt echter dat op 25 maart 2024 wel een onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden en dat appellant met zijn gemachtigde is verschenen. Gelet op de bijlage van het Besluit proceskosten bestuursrecht had de rechtbank hiervoor ook een punt moeten toekennen. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dat wil zeggen voor zover de rechtbank de minister heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 907,00. De Afdeling zal de minister voor de proceskosten in beroep veroordelen tot vergoeding van een bedrag van € 1.814,00 (een punt voor het beroepschrift en een punt voor het verschijnen op de zitting). De minister moet ook de proceskosten in hoger beroep vergoeden. Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de beslissing van de rechtbank over de hoogte van de proceskostenvergoeding. De Afdeling past daarom de wegingsfactor 0,5 toe.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 30 april 2025 in zaak nr. NL23.18978, voor zover zij de minister van Asiel en Migratie heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 907,00;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.267,50 (€ 1.814,00 voor het beroep en € 453,50 voor het hoger beroep), geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Mercelina
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2025
938-1173
Volledig
ECLI:NL:RVS:2025:4064 text/xml public 2026-05-07T10:01:17 2025-08-25 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2025-08-25 202503049/1/V1 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2025:4064 text/html public 2025-08-25T10:59:42 2025-08-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2025:4064 Raad van State , 25-08-2025 / 202503049/1/V1 Bij besluit van 27 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd. 202503049/1/V1. Datum uitspraak: 25 augustus 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 30 april 2025 in zaak nr. NL23.18978 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 27 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd. Bij uitspraak van 30 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover dat gaat over de ingangsdatum van de verblijfsvergunning, de ingangsdatum van de verblijfsvergunning bepaald op 24 juni 2022 en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van dat besluit. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.A. Krikke, advocaat in Bussum, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. In de enige grief betoogt appellant terecht dat de rechtbank een punt te weinig heeft toegekend bij de berekening van de proceskostenvergoeding. In de uitspraak van de rechtbank staat onder 1.2 dat de rechtbank zonder zitting uitspraak doet en onder 9 dat zij aan appellant één punt toekent voor het indienen van het beroepschrift. Uit de beslissing tot heropening van het onderzoek van de rechtbank van 15 april 2024 blijkt echter dat op 25 maart 2024 wel een onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden en dat appellant met zijn gemachtigde is verschenen. Gelet op de bijlage van het Besluit proceskosten bestuursrecht had de rechtbank hiervoor ook een punt moeten toekennen. De grief slaagt. 2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dat wil zeggen voor zover de rechtbank de minister heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 907,00. De Afdeling zal de minister voor de proceskosten in beroep veroordelen tot vergoeding van een bedrag van € 1.814,00 (een punt voor het beroepschrift en een punt voor het verschijnen op de zitting). De minister moet ook de proceskosten in hoger beroep vergoeden. Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de beslissing van de rechtbank over de hoogte van de proceskostenvergoeding. De Afdeling past daarom de wegingsfactor 0,5 toe. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 30 april 2025 in zaak nr. NL23.18978, voor zover zij de minister van Asiel en Migratie heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 907,00; III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.267,50 (€ 1.814,00 voor het beroep en € 453,50 voor het hoger beroep), geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier. w.g. De Moor-van Vugt lid van de enkelvoudige kamer w.g. Mercelina griffier Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2025 938-1173