Rechtspraak
Raad van State
2025-08-25
ECLI:NL:RVS:2025:4057
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,386 tokens
Inleiding
202503657/1/V3.
Datum uitspraak: 25 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 8 mei 2025 in zaak nr. NL25.16593 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 8 april 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 8 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. I.M. Zuidhoek, advocaat in Gieten, hoger beroep ingesteld.
Appellant is in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten.
Overwegingen
1. De termijn voor het instellen van hoger beroep eindigde op 15 mei 2025. Het hogerberoepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. Appellant heeft het hogerberoepschrift daarom niet op tijd ingediend. Wat appellant in zijn hogerberoepschrift heeft aangevoerd, is geen reden om het hoger beroep alsnog in behandeling te nemen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (vergelijk de uitspraak van 1 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ6794) draagt de afzender in beginsel het risico van verzending bij verzending per fax. Met het overleggen van het verzendcontrolerapport van de op 15 mei 2025 verzonden fax heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij al op die datum hoger beroep bij de Afdeling heeft ingesteld. Bij de Afdeling is namelijk op 15 mei 2025 van hem geen fax binnengekomen. Op het overzicht van binnengekomen faxen komt het faxnummer van zijn advocaat niet voor. Appellant heeft verder geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid redenen aan te voeren waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2025
47
Volledig
ECLI:NL:RVS:2025:4057 text/xml public 2026-05-07T10:49:15 2025-08-25 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2025-08-25 202503657/1/V3 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2025:9236, Niet ontvankelijk Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2025:4057 text/html public 2025-08-25T09:10:24 2025-08-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2025:4057 Raad van State , 25-08-2025 / 202503657/1/V3 Bij besluit van 8 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. 202503657/1/V3. Datum uitspraak: 25 augustus 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 8 mei 2025 in zaak nr. NL25.16593 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 8 april 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 8 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. I.M. Zuidhoek, advocaat in Gieten, hoger beroep ingesteld. Appellant is in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten. Overwegingen 1. De termijn voor het instellen van hoger beroep eindigde op 15 mei 2025. Het hogerberoepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. Appellant heeft het hogerberoepschrift daarom niet op tijd ingediend. Wat appellant in zijn hogerberoepschrift heeft aangevoerd, is geen reden om het hoger beroep alsnog in behandeling te nemen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (vergelijk de uitspraak van 1 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ6794) draagt de afzender in beginsel het risico van verzending bij verzending per fax. Met het overleggen van het verzendcontrolerapport van de op 15 mei 2025 verzonden fax heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij al op die datum hoger beroep bij de Afdeling heeft ingesteld. Bij de Afdeling is namelijk op 15 mei 2025 van hem geen fax binnengekomen. Op het overzicht van binnengekomen faxen komt het faxnummer van zijn advocaat niet voor. Appellant heeft verder geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid redenen aan te voeren waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Meurs-Heuvel griffier Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2025 47