Rechtspraak
Raad van State
2025-08-18
ECLI:NL:RVS:2025:3902
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,245 tokens
Inleiding
BRS.25.000267
ECLI:NL:RVS:2025:3902
Datum uitspraak: 18 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 maart 2025 in zaak nr. NL25.7083 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 31 januari 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 5 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.E. Groenenberg, advocaat in Nieuw-Vennep, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. Het hoger beroep gaat namelijk onder meer over rechtsvragen die eerder door de Afdeling zijn beantwoord (uitspraak van 22 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2260, onder 1, over de plicht van de minister om een vreemdeling te informeren over de van toepassing zijnde zware en lichte gronden en de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de bewaring). Het hoger beroep biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2025
918-1086
Volledig
ECLI:NL:RVS:2025:3902 text/xml public 2026-01-29T10:18:27 2025-08-14 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2025-08-18 BRS.25.000267 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2025:3902 text/html public 2025-08-14T10:48:41 2025-08-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2025:3902 Raad van State , 18-08-2025 / BRS.25.000267 Bij besluit van 31 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld. BRS.25.000267 ECLI:NL:RVS:2025:3902 Datum uitspraak: 18 augustus 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 maart 2025 in zaak nr. NL25.7083 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 31 januari 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 5 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.E. Groenenberg, advocaat in Nieuw-Vennep, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 1.1. Het hoger beroep gaat namelijk onder meer over rechtsvragen die eerder door de Afdeling zijn beantwoord (uitspraak van 22 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2260, onder 1, over de plicht van de minister om een vreemdeling te informeren over de van toepassing zijnde zware en lichte gronden en de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de bewaring). Het hoger beroep biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen. 2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier. w.g. Soffers lid van de enkelvoudige kamer w.g. Nederhoff griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2025 918-1086