Rechtspraak
Raad van State
2025-01-29
ECLI:NL:RVS:2025:345
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
697 tokens
Inleiding
202500153/1/V2 en 202500153/2/V2.
Datum uitspraak: 29 januari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 20 december 2024 in zaak nr. NL24.44628 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 13 november 2024 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 20 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B. Anik, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De Afdeling betrekt de eerst in hoger beroep overgelegde stukken op grond van artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 niet bij de beoordeling van het hoger beroep. Het gaat hierbij om een kopie van het paspoort van de vreemdeling met als uitgiftedatum 7 augustus 2024 en een kopie van de geboorteakte van de vreemdeling die op 30 december 2019 is geregistreerd. De vreemdeling heeft geen toereikende verklaring gegeven waarom hij deze stukken redelijkerwijs niet reeds in beroep had kunnen overleggen. De vreemdeling kan deze stukken desgewenst aan een nieuwe aanvraag ten grondslag leggen.
2. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
voorzieningenrechter
w.g. Lodeweges
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2025
625