Rechtspraak
Raad van State
2025-07-04
ECLI:NL:RVS:2025:3014
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
5,218 tokens
Inleiding
202502380/1/R2 en 202502380/2/R2.
Datum uitspraak: 4 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:
[verzoekster], wonend in Bergen op zoom,
verzoekster,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank OostBrabant (hierna ook: de rechtbank) van 20 maart 2025 in zaken nrs. 25/154 en 25/497 in het geding tussen:
[verzoekster]
en
het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom.
Procesverloop
Bij besluit van 13 juni 2024 heeft het college aan tennisvereniging Smash Bergen op Zoom (hierna: Smash) een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van vier padelbanen en het verleggen van een tennisbaan (hierna: de omgevingsvergunning).
Bij besluit van 15 november 2024 heeft het college het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 20 maart 2025 heeft de rechtbank het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en de bij uitspraak van 24 februari 2025 getroffen voorlopige voorziening opgeheven.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld.
Ook heeft [verzoekster] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 juni 2025, waar [verzoekster], bijgestaan door mr. L.M.A. Schrieder, die de zitting digitaal heeft bijgewoond, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. van den Berg, zijn verschenen. Ook is ter zitting Smash, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.
Overwegingen
1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2. Het college heeft de omgevingsvergunning aan Smash verleend voor het aanleggen van vier padelbanen en het verleggen van een tennisbaan op het terrein van Smash in Bergen op Zoom aan de Beukenlaan 12 (hierna: de locatie). De locatie ligt in het noordelijke deel van het sportpark Rozenoord.
3. [verzoekster] woont ten zuiden van dit sportpark, aan de [locatie] in Bergen op Zoom. Zij vreest voor overlast ten gevolge van de omgevingsvergunning.
4. Het college heeft in het besluit van 15 november 2024 het bezwaar van [verzoekster] tegen het besluit van 13 juni 2024 niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij geen belanghebbende is hierbij.
5. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft het besluit van 13 juni 2024 op verzoek van [verzoekster] bij uitspraak van 24 februari 2025 geschorst.
6. Bij uitspraak van 20 maart 2025 (hierna: de aangevallen uitspraak) heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak gedaan in de hoofdzaak en het beroep van [verzoekster] ongegrond verklaard. Daarnaast is in die uitspraak de eerdere, bij uitspraak van 24 februari 2025, getroffen voorlopige voorziening met toepassing van artikel 8:87, eerste lid, van de Awb opgeheven. Volgens de rechtbank heeft het college het bezwaar van [verzoekster] terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen belanghebbende is bij de omgevingsvergunning.
7. [verzoekster] heeft bij de Afdeling hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Ook heeft zij de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
8. [verzoekster] betoogt dat de aangevallen uitspraak alleen al moet worden vernietigd omdat zij het verweerschrift in beroep niet heeft ontvangen. Volgens [verzoekster] is in beroep het beginsel van hoor en wederhoor geschonden en gehandeld in strijd met de goede procesorde, omdat zij niet op de hoogte was van dit verweerschrift en er niet goed op heeft kunnen reageren.
8.1. Uit het dossier volgt dat het verweerschrift in beroep van het college door de rechtbank is ontvangen op 27 februari 2025 en dat de rechtbank op 28 februari 2025 een kopie van een of meer stukken heeft doorgezonden naar [verzoekster] en Smash. Aannemelijk is dat dit het verweerschrift in beroep betrof, gelet op de data en het ontbreken van andere stukken rond die data. De voorzieningenrechter weet niet of [verzoekster] deze stukken heeft ontvangen. Hoe dan ook is het verweerschrift in beroep, waarin het college reageert op het beroepschrift en verzoekschrift in beroep van [verzoekster], een herhaling van wat het in bezwaar heeft gesteld, namelijk dat niet is voldaan aan het zicht- en afstandscriterium en dat gevolgen van enige betekenis voor [verzoekster], zoals geluidhinder en de door haar gestelde parkeerhinder, ontbreken. Verder heeft het college in het verweerschrift opgemerkt, evenals in bezwaar, dat de omgevingsvergunning geen betrekking heeft op de aanleg van het parkeerterrein aan de Olympialaan en dat [verzoekster] met de procedure de aanleg hiervan niet kan tegenhouden. Uit de aantekeningen van de zitting in beroep van 7 maart 2025 blijkt dat de situatie ter plekke aan de hand van een tekening is besproken. Ook is de parkeersituatie ter zitting besproken. Verder blijkt uit de zittingsaantekeningen dat de gemachtigde van [verzoekster] ter zitting in beroep is verschenen en heeft bepleit dat [verzoekster] belanghebbende is, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank van 23 januari 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:371. Deze uitspraak heeft betrekking op gevolgen van enige betekenis vanwege het geluid van padelbanen. Omdat het verweerschrift in beroep een herhaling is van wat het college in bezwaar heeft gesteld, de onderwerpen hiervan op de zitting in beroep aan de orde zijn gesteld en de gemachtigde van [verzoekster] op die zitting in de gelegenheid is gesteld hierop te reageren, is er geen aanleiding voor het oordeel dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden of dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met de goede procesorde.
Het betoog slaagt niet.
9. [verzoekster] betoogt verder dat de rechtbank het perceel van [verzoekster] ten onrechte niet heeft aangemerkt als een perceel dat gelijk te stellen is met een aangrenzend perceel. [verzoekster] voert aan dat haar perceel slechts van de locatie wordt gescheiden door de Olympialaan. Zij verwijst daarbij naar de uitspraken van de Afdeling van 20 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3549, en van 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1392.
9.1. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
9.2. Zoals volgt uit de uitspraak van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1671, zijn bewoners en eigenaren van een perceel dat grenst aan het perceel waarop het besluit ziet of dat met een aangrenzend perceel gelijk is te stellen, in beginsel belanghebbenden.
9.3. De afstand van het perceel van [verzoekster] tot de locatie bedraagt, zoals de rechtbank heeft overwogen en niet in geschil is, ongeveer 250 meter. Anders dan [verzoekster] stelt, ligt tussen haar perceel en de locatie niet alleen de Olympialaan, een ontsluitingsweg voor de wijk van twee rijstroken met aan weerszijden een fietspad en trottoir. Er liggen ook een bomenrij, een sportveld, een atletiekbaan, een hoge, overdekte tribune en een gebouw van een sportvereniging tussen. Haar perceel is daarom niet gelijk te stellen met een aangrenzend perceel. De situaties die in de uitspraken van 20 september 2023 en 3 april 2024 aan de orde waren, zijn niet vergelijkbaar. In die zaken lag er uitsluitend een smalle weg onderscheidenlijk een secundaire weg tussen de betrokken percelen.
Het betoog slaagt niet.
10. Ook betoogt [verzoekster] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan geen gevolgen van enige betekenis voor haar heeft. Zij stelt dat het bouwplan een onevenredige invloed heeft op haar woon- en leefklimaat, doordat zij als gevolg van het rooien van bomen zicht heeft op de locatie, licht- en geluidhinder van de padelbanen zal hebben en geluid-, stank- en lichtoverlast van het parkeerterrein aan de Olympialaan.
10.1. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals (een wijziging van) een omgevingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
10.2. Uit de door [verzoekster] ter zitting getoonde foto en de toelichting ter zitting kan worden afgeleid dat zij vanuit de bovenverdieping van haar woning enig zicht kan hebben op een deel van de padelbanen. Dit zal zeer beperkt zijn, gelet op de hiervoor genoemde afstand van 250 meter en de tussenliggende begroeiing en bebouwing.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af;
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.
w.g. Meijer
voorzieningenrechter
w.g. De Vlieger-Mandour
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2025
615
Inleiding
202502380/1/R2 en 202502380/2/R2.
Datum uitspraak: 4 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:
[verzoekster], wonend in Bergen op zoom,
verzoekster,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank OostBrabant (hierna ook: de rechtbank) van 20 maart 2025 in zaken nrs. 25/154 en 25/497 in het geding tussen:
[verzoekster]
en
het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom.
Procesverloop
Bij besluit van 13 juni 2024 heeft het college aan tennisvereniging Smash Bergen op Zoom (hierna: Smash) een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van vier padelbanen en het verleggen van een tennisbaan (hierna: de omgevingsvergunning).
Bij besluit van 15 november 2024 heeft het college het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 20 maart 2025 heeft de rechtbank het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en de bij uitspraak van 24 februari 2025 getroffen voorlopige voorziening opgeheven.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld.
Ook heeft [verzoekster] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 juni 2025, waar [verzoekster], bijgestaan door mr. L.M.A. Schrieder, die de zitting digitaal heeft bijgewoond, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. van den Berg, zijn verschenen. Ook is ter zitting Smash, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.
Overwegingen
1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2. Het college heeft de omgevingsvergunning aan Smash verleend voor het aanleggen van vier padelbanen en het verleggen van een tennisbaan op het terrein van Smash in Bergen op Zoom aan de Beukenlaan 12 (hierna: de locatie). De locatie ligt in het noordelijke deel van het sportpark Rozenoord.
3. [verzoekster] woont ten zuiden van dit sportpark, aan de [locatie] in Bergen op Zoom. Zij vreest voor overlast ten gevolge van de omgevingsvergunning.
4. Het college heeft in het besluit van 15 november 2024 het bezwaar van [verzoekster] tegen het besluit van 13 juni 2024 niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij geen belanghebbende is hierbij.
5. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft het besluit van 13 juni 2024 op verzoek van [verzoekster] bij uitspraak van 24 februari 2025 geschorst.
6. Bij uitspraak van 20 maart 2025 (hierna: de aangevallen uitspraak) heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak gedaan in de hoofdzaak en het beroep van [verzoekster] ongegrond verklaard. Daarnaast is in die uitspraak de eerdere, bij uitspraak van 24 februari 2025, getroffen voorlopige voorziening met toepassing van artikel 8:87, eerste lid, van de Awb opgeheven. Volgens de rechtbank heeft het college het bezwaar van [verzoekster] terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen belanghebbende is bij de omgevingsvergunning.
7. [verzoekster] heeft bij de Afdeling hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Ook heeft zij de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
8. [verzoekster] betoogt dat de aangevallen uitspraak alleen al moet worden vernietigd omdat zij het verweerschrift in beroep niet heeft ontvangen. Volgens [verzoekster] is in beroep het beginsel van hoor en wederhoor geschonden en gehandeld in strijd met de goede procesorde, omdat zij niet op de hoogte was van dit verweerschrift en er niet goed op heeft kunnen reageren.
8.1. Uit het dossier volgt dat het verweerschrift in beroep van het college door de rechtbank is ontvangen op 27 februari 2025 en dat de rechtbank op 28 februari 2025 een kopie van een of meer stukken heeft doorgezonden naar [verzoekster] en Smash. Aannemelijk is dat dit het verweerschrift in beroep betrof, gelet op de data en het ontbreken van andere stukken rond die data. De voorzieningenrechter weet niet of [verzoekster] deze stukken heeft ontvangen. Hoe dan ook is het verweerschrift in beroep, waarin het college reageert op het beroepschrift en verzoekschrift in beroep van [verzoekster], een herhaling van wat het in bezwaar heeft gesteld, namelijk dat niet is voldaan aan het zicht- en afstandscriterium en dat gevolgen van enige betekenis voor [verzoekster], zoals geluidhinder en de door haar gestelde parkeerhinder, ontbreken. Verder heeft het college in het verweerschrift opgemerkt, evenals in bezwaar, dat de omgevingsvergunning geen betrekking heeft op de aanleg van het parkeerterrein aan de Olympialaan en dat [verzoekster] met de procedure de aanleg hiervan niet kan tegenhouden. Uit de aantekeningen van de zitting in beroep van 7 maart 2025 blijkt dat de situatie ter plekke aan de hand van een tekening is besproken. Ook is de parkeersituatie ter zitting besproken. Verder blijkt uit de zittingsaantekeningen dat de gemachtigde van [verzoekster] ter zitting in beroep is verschenen en heeft bepleit dat [verzoekster] belanghebbende is, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank van 23 januari 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:371. Deze uitspraak heeft betrekking op gevolgen van enige betekenis vanwege het geluid van padelbanen. Omdat het verweerschrift in beroep een herhaling is van wat het college in bezwaar heeft gesteld, de onderwerpen hiervan op de zitting in beroep aan de orde zijn gesteld en de gemachtigde van [verzoekster] op die zitting in de gelegenheid is gesteld hierop te reageren, is er geen aanleiding voor het oordeel dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden of dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met de goede procesorde.
Het betoog slaagt niet.
9. [verzoekster] betoogt verder dat de rechtbank het perceel van [verzoekster] ten onrechte niet heeft aangemerkt als een perceel dat gelijk te stellen is met een aangrenzend perceel. [verzoekster] voert aan dat haar perceel slechts van de locatie wordt gescheiden door de Olympialaan. Zij verwijst daarbij naar de uitspraken van de Afdeling van 20 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3549, en van 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1392.
9.1. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
9.2. Zoals volgt uit de uitspraak van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1671, zijn bewoners en eigenaren van een perceel dat grenst aan het perceel waarop het besluit ziet of dat met een aangrenzend perceel gelijk is te stellen, in beginsel belanghebbenden.
9.3. De afstand van het perceel van [verzoekster] tot de locatie bedraagt, zoals de rechtbank heeft overwogen en niet in geschil is, ongeveer 250 meter. Anders dan [verzoekster] stelt, ligt tussen haar perceel en de locatie niet alleen de Olympialaan, een ontsluitingsweg voor de wijk van twee rijstroken met aan weerszijden een fietspad en trottoir. Er liggen ook een bomenrij, een sportveld, een atletiekbaan, een hoge, overdekte tribune en een gebouw van een sportvereniging tussen. Haar perceel is daarom niet gelijk te stellen met een aangrenzend perceel. De situaties die in de uitspraken van 20 september 2023 en 3 april 2024 aan de orde waren, zijn niet vergelijkbaar. In die zaken lag er uitsluitend een smalle weg onderscheidenlijk een secundaire weg tussen de betrokken percelen.
Het betoog slaagt niet.
10. Ook betoogt [verzoekster] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan geen gevolgen van enige betekenis voor haar heeft. Zij stelt dat het bouwplan een onevenredige invloed heeft op haar woon- en leefklimaat, doordat zij als gevolg van het rooien van bomen zicht heeft op de locatie, licht- en geluidhinder van de padelbanen zal hebben en geluid-, stank- en lichtoverlast van het parkeerterrein aan de Olympialaan.
10.1. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals (een wijziging van) een omgevingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
10.2. Uit de door [verzoekster] ter zitting getoonde foto en de toelichting ter zitting kan worden afgeleid dat zij vanuit de bovenverdieping van haar woning enig zicht kan hebben op een deel van de padelbanen. Dit zal zeer beperkt zijn, gelet op de hiervoor genoemde afstand van 250 meter en de tussenliggende begroeiing en bebouwing.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af;
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.
w.g. Meijer
voorzieningenrechter
w.g. De Vlieger-Mandour
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2025
615