Rechtspraak
Raad van State
2025-05-28
ECLI:NL:RVS:2025:2432
Bestuursrecht
Hoger beroep
882 tokens
Inleiding
202303455/1/A2.Datum uitspraak: 28 mei 2025
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 april 2023 in zaak nr. 22/3097 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister).
Procesverloop
Bij besluit van 2 juli 2019 heeft de minister voor Medische Zorg en Sport de aanvraag van [appellant] voor een tegemoetkoming voor patiënten en nabestaanden in verband met Q-koorts, afgewezen.
Bij besluit van 6 april 2022 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 april 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2025, waar [appellant], vergezeld van [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. E.S. Fakili, mr. M.A.H. Gatzen en S.N. Wiessenhaan, zijn verschenen.
Bij besluit van 4 maart 2025 heeft de minister zijn besluit van 6 april 2022 herzien, het bezwaar van [appellant] gegrond verklaard, het besluit van 2 juli 2019 herroepen, de aanvraag om een tegemoetkoming ingewilligd en het betaalde griffierecht vergoed.
De Afdeling heeft [appellant] bij brief van 5 maart 2025 verzocht om te laten weten of hij naar aanleiding van het herziene besluit zijn hoger beroep wil intrekken.
Omdat [appellant] niet op de brief van 5 maart 2025 heeft gereageerd, heeft de Afdeling het onderzoek bij brief van 23 april 2025 heropend en hem verzocht om een zienswijze op het herziene besluit van de minister.
Geen van de partijen heeft binnen de door de Afdeling gestelde termijn gereageerd noch verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De Afdeling heeft vervolgens met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaald dat een nadere behandeling op een zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. appellant] wilde met zijn hoger beroep bereiken dat de minister de door hem gevraagde tegemoetkoming van € 15.000,00 zou toekennen. In zijn besluit van 4 maart 2025 heeft de minister de gevraagde tegemoetkoming toegekend en heeft hij het door [appellant] betaalde griffierecht vergoed. De minister is daarmee volledig tegemoetgekomen aan het bezwaar van [appellant]. Omdat hij heeft bereikt wat hij wilde en kon bereiken, heeft hij geen belang meer bij zijn hoger beroep. Om dezelfde reden is, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, ook geen beroep van rechtswege ontstaan tegen het besluit van 4 maart 2025.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
3. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.
w.g. Daaldervoorzitter
w.g. Rijsdijkgriffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2025
705-1100