Rechtspraak
Raad van State
2025-05-08
ECLI:NL:RVS:2025:2360
Bestuursrecht
Hoger beroep
628 tokens
Inleiding
202405218/1/A2.
Datum uitspraak: 8 mei 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 augustus 2024 in zaak nr. 26/24 in het geding tussen:
[appellant]
en
de staatssecretaris Rechtsbescherming (voorheen: de minister voor Rechtsbescherming).
Openbare zitting gehouden op 8 mei 2025 om 10:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: mr. O. van Loon
Jurist: mr. A. Zeilstra
Verschenen:
de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.L. de Gier.
Bij besluit van 27 juli 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van [appellant] om een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor een chauffeurskaart bij Kiwa Register B.V. in Rijswijk afgewezen. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft de staatssecretaris bij besluit van 23 november 2023 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank van 2 augustus 2024, waarin dit beroep ongegrond is verklaard.
De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Dictum
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Gronden
Wat [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, is zo goed als een herhaling van de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder opgenomen 3.12 t/m 3.15 overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Doordat [appellant] na zijn aanvraag om een VOG, na het indienen van een bezwaarschrift tegen de afwijzing van de aanvraag en gedurende een lopende proeftijd opnieuw met justitie in aanraking is gekomen, geeft hij er geen blijk van dat hij gemotiveerd is om zijn strafrechtelijk verleden achter zich te laten. De staatssecretaris mocht daarom bij afweging van de belangen afzien van het afgeven van een VOG op grond van het subjectieve criterium.
De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
284-1160