Rechtspraak
Raad van State
2025-05-14
ECLI:NL:RVS:2025:2120
Bestuursrecht
Wraking
1,250 tokens
Dictum
[verzoeker A] en [verzoeker B], wonend in [woonplaats],
verzoekers,
om toepassing van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
Procesverloop
Bij brieven, ingekomen op 14 februari 2025, hebben [verzoekers] verzocht om wraking van staatsraad mr. C.C.W. Lange (hierna: de staatsraad) als lid van de enkelvoudige kamer van de Afdeling belast met de behandeling van zaken nrs. 202303278/1/A3 en 202303388/1/A3.
De staatsraad heeft niet in de wraking berust.
De staatsraad heeft een schriftelijke reactie ingediend.
[verzoekers] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de wrakingsverzoeken behandeld op de zitting van 30 april 2025, waar [verzoekers] zijn verschenen. De staatsraad heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.
Overwegingen
1. Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 van de Awb elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Een rechter wordt uit hoofde van zijn aanstelling vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een belanghebbende bestaande vrees voor vooringenomenheid of partijdigheid objectief is gerechtvaardigd.
Gronden van de verzoeken om wraking
2. [verzoekers] hebben aan de verzoeken om wraking ten grondslag gelegd dat de staatsraad, door een aantal procedurele beslissingen en de gang van zaken op de achtereenvolgende zittingen op 12 februari 2025, bij hen de indruk heeft gewekt vooringenomen te zijn. Zij betogen, samengevat, dat de staatsraad het verzoek om voeging van beide zaken minder dan een maand voor de zittingen heeft afgewezen, terwijl zij dit verzoek al in augustus 2024 hadden ingediend. Ook heeft de staatsraad geweigerd om twee producties, die zij op 2 februari 2025 hebben ingediend, aan het dossier toe te voegen. En zij heeft het verzoek om beide zaken aan een andere staatsraad toe te wijzen afgewezen, terwijl dit uit het oogpunt van procesefficiency beter was geweest.
2.1. Over het verloop van de zittingen betogen [verzoekers] dat de staatsraad bij hen de indruk wekte het dossier onvoldoende te kennen. Verder gebruikte de staatsraad de terminologie van de gemeente Rijswijk door te spreken over een ‘mededeling’ in plaats van een ‘brief’. De staatsraad zei dat het tijdens de eerste zitting (in zaak nr. 202303388/1/A3) alleen ging over de vraag of sprake is van een besluit en dat het betoog over de voorwaarden die de burgemeester stelt aan de handhavingsverzoeken tijdens de tweede zitting (in zaak nr. 202303278/1/A3) aan de orde zou komen, maar dat is niet gebeurd.
2.2. Tijdens de tweede zitting was de zaal te klein. [verzoeker A] moest hierdoor in de zaal zitten, waardoor hij en [verzoeker B] niet goed met elkaar en met hun gemachtigde konden overleggen. Verder was de aan partijen toegekende spreektijd niet in de juiste proportie. Zij konden niet alle vragen beantwoorden en werden diverse keren onderbroken. Toen de staatsraad aan [verzoekers] vroeg of zij open stonden voor mediation vanuit de Afdeling, onderbrak zij hen terwijl zij hierover overlegden en stond zij alleen ja of nee als antwoord toe. [verzoekers] voelden zich hierdoor onder druk gezet.
Het verloop van de zittingen van 12 februari 2025
3. Het handelen van de staatsraad tijdens de zittingen levert geen zwaarwegende aanwijzing op voor de schijn van vooringenomenheid. Weliswaar hebben [verzoekers] onder meer de tafelschikking, de verdeling van de spreektijd, de bejegening en woordkeuze van de staatsraad tijdens de zittingen als uitingen van vooringenomenheid ervaren, maar die eigen ervaring betekent zonder concrete aanvullende aanknopingspunten, die er niet zijn, niet dat de vrees voor vooringenomenheid ook objectief gerechtvaardigd is. Ook de mededeling dat bepaalde gronden tijdens de tweede zitting aan de orde zouden worden gesteld, wat volgens van [verzoekers] vervolgens niet gebeurd is, is hiervoor onvoldoende. Verder blijkt uit het proces-verbaal van de zitting niet dat de staatsraad de optie van mediation op zo’n wijze met partijen heeft besproken, dat dit blijk geeft van vooringenomenheid of partijdigheid.
Procesbeslissingen
Conclusie
5. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De Afdeling wijst de verzoeken om wraking daarom af.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst de verzoeken af.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Van Gastel
voorzitter
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2025
846