Rechtspraak
Raad van State
2025-01-22
ECLI:NL:RVS:2025:190
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
621 tokens
Inleiding
202405729/1/V2.
Datum uitspraak: 22 januari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 13 augustus 2024 in zaak nr. NL22.23394 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 21 december 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het verblijfsrecht van de vreemdeling als gemeenschapsonderdaan beëindigd en hem ongewenst verklaard.
Bij besluit van 20 oktober 2022 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de ongewenstverklaring en niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen de beëindiging van het verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.M.G.M. Raafs, advocaat in Sittard, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Grief 2 faalt. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen over de vraag of sprake is van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. De Afdeling neemt de motivering daarover onder 14 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1 Ook de overige grieven falen. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2025
363-1155