Rechtspraak
Raad van State
2025-04-16
ECLI:NL:RVS:2025:1728
Bestuursrecht
Hoger beroep
2,656 tokens
Inleiding
202402448/1/V6.
Datum uitspraak: 16 april 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 maart 2024 in zaak nr. 23/2240 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister).
Procesverloop
Bij besluit van 1 maart 2023 (hierna: het besluit) heeft de minister een aanvraag van [appellant] om op enige wijze zijn overkomst naar Nederland te faciliteren, afgewezen.
Tegen het besluit heeft [appellant] met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.
Bij uitspraak van 27 maart 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A.J.M. Mohrmann, advocaat in Bussum, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat in Den Haag, en R. Geraedts, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft de Afghaanse nationaliteit en verblijft in Afghanistan. Op 20 december 2022 heeft hij de minister gevraagd om hem en zijn gezin naar Nederland over te brengen. [appellant] stelt dat hij tussen 2007 en 2010 heeft gewerkt als bewaker van Afghan Security Guard (hierna: ASG) voor de Nederlandse krijgsmacht in Uruzgan, Afghanistan.
2. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat [appellant] niet valt onder de bij de brief van 11 oktober 2021 getroffen speciale voorziening (Kamerstukken II 2021/22, 27 925, nr. 860; hierna: de Kamerbrief). Onder die speciale voorziening vallen twee groepen vreemdelingen. Partijen zijn het erover eens dat [appellant] niet is genomineerd door een ngo in het kader van de speciale voorziening en hij dus niet onder die groep van de speciale voorziening valt. De minister heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat [appellant] ook niet onder de tweede groep valt, omdat hij niet rechtstreeks in dienst was bij het ministerie van Defensie, maar bij een onderaannemer. In het verweerschrift heeft de minister dit standpunt verlaten en zich vervolgens op het standpunt gesteld dat [appellant] niet voorkomt in de database van het ministerie van Defensie met meldingen van Nederlandse veteranen en van hulpverzoeken die uiterlijk 11 oktober 2021 zijn gedaan. De minister heeft niet beoordeeld of [appellant] daadwerkelijk als bewaker van ASG heeft gewerkt voor de Nederlandse krijgsmacht.
3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Termijn hulpverzoek en database
4. In de eerste hogerberoepsgrond voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hulpverzoeken uiterlijk 11 oktober 2021 moeten zijn gedaan.
4.1. Wat [appellant] aanvoert over de uiterste datum waarop een hulpverzoek moet zijn gedaan, gaat over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord. De Afdeling wijst op haar uitspraken van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2160, onder 2.2, en 14 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3298, onder 2.1, 2.2 en 2.3. Uit die uitspraken volgt dat met ‘de nu bij Defensie beschikbare data’ in de speciale voorziening, niet is bedoeld het hele archief van het ministerie van Defensie. Het gaat daarentegen om meldingen van Nederlandse veteranen en hulpverzoeken van Afghanen die uiterlijk op 11 oktober 2021 zijn gedaan. Deze meldingen en hulpverzoeken zijn verzameld in een databestand. Alleen als iemand in dit databestand voorkomt, beoordeelt de minister of diegene aan alle inhoudelijke vereisten voldoet om voor toepassing van de speciale voorziening in aanmerking te komen. Gelet op de beleidsruimte die de minister in dit geval heeft, is het stellen van 11 oktober 2021 als uiterste datum waarop een melding of hulpverzoek moet zijn gedaan niet onevenredig.
De door [appellant] aangehaalde alinea’s uit de brief van de minister van 17 oktober 2022 (Aanhangsel Handelingen II 2022/23, nr. 356, antwoord 4) en de brief van de minister van Defensie van 19 december 2023 (Kamerstukken II 2023/24, 27 925, nr. 961), leiden niet tot een ander oordeel. Anders dan [appellant] betoogt, volgt uit antwoord 4 van de brief van 17 oktober 2022 niet dat de speciale voorziening een open einde heeft. Dat antwoord is namelijk een reactie op de vraag wat de minister doet om te voorkomen dat mensen die recht hebben op overbrenging tussen wal en schip vallen. De minister heeft geantwoord dat er geen recht op overbrenging is, maar een bereidheid van de Staat der Nederlanden om een inspanning te leveren voor Afghanen die hebben gewerkt voor Nederland. De minister heeft verder geantwoord dat vrijwel iedereen die volgens de criteria in aanmerking komt voor overbrenging, in beeld is bij de betreffende ministeries. Anders dan [appellant] betoogt, volgt ook uit de brief van 19 december 2023 niet dat de speciale voorziening een open einde heeft. In die brief staat namelijk dat een aanvulling op de Tolkenregeling wordt opgesteld. Die regeling heeft een andere strekking dan de bij de Kamerbrief getroffen speciale voorziening, waar deze zaak over gaat.
[appellant] heeft zijn hulpverzoek gedaan op 20 december 2022, ruim veertien maanden na 11 oktober 2021. In het licht daarvan heeft de rechtbank, anders dan [appellant] betoogt, terecht geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] om deze reden niet valt onder de speciale voorziening. De minister hoefde dus niet te beoordelen of [appellant] daadwerkelijk als bewaker van ASG heeft gewerkt voor de Nederlandse krijgsmacht.
Het betoog slaagt niet.
Bijzondere omstandigheden en gevaar
5. In de tweede, derde en vierde hogerberoepsgrond betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het onevenredig is om zijn hulpverzoek af te wijzen, alleen omdat hij dit verzoek heeft gedaan na 11 oktober 2021. Volgens [appellant] lopen voormalige bewakers in Afghanistan door hun werkzaamheden voor Defensie groot gevaar.
5.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718, onder 4.2 en 4.3, volgt dat het in de Kamerbrief neergelegde beleid niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, maar dat zich bijzondere omstandigheden kunnen voordoen op grond waarvan de minister niet strikt mag vasthouden aan dat beleid. Uit de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1507, onder 7, volgt dat zich daarbij bijzondere omstandigheden kunnen voordoen waarin in voorkomende gevallen aanleiding moet worden gezien voor het oordeel dat de afwijzing onevenredig is. [appellant] heeft geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht waarin de rechtbank aanleiding had moeten zien voor het oordeel dat de afwijzing in zijn geval onevenredig is. [appellant] betoogt dat voormalige bewakers in Afghanistan door hun werkzaamheden voor Defensie groot gevaar lopen. Dit is echter geen bijzondere omstandigheid die maakt dat de minister alsnog had moeten beoordelen of [appellant] aan alle inhoudelijke vereisten voldoet. [appellant] onderscheidt zich in dat opzicht namelijk niet van andere bewakers van ASG die een verzoek om overbrenging hebben ingediend. Ook de vrees voor onmenselijke of vernederende behandeling levert, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, geen bijzondere omstandigheid op. De minister schendt niet de fundamentele rechten van personen die buiten het beleid vallen, als hij hun overkomst naar Nederland niet faciliteert, ook niet als de Taliban dat mogelijk wel doen. Personen die buiten dit beleid vallen, wordt namelijk niets onthouden waar zij anders wel recht op zouden hebben. De inspanningsverplichting die het kabinet zichzelf heeft opgelegd in de Kamerbrief, heeft namelijk geen wettelijke grondslag. Het gaat om buitenwettelijk en begunstigend beleid. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718, onder 4.2, en 10 april 2024, onder 7.1.
[appellant] betoogt verder tevergeefs dat niet duidelijk was dat er een mogelijkheid was voor bewakers om naar Nederland te komen en hoe hij zich hiervoor kon aanmelden en dat hij zich alsnog zo snel mogelijk heeft aangemeld, toen hij op de hoogte raakte van deze mogelijkheid. Met de speciale voorziening is namelijk geen regeling getroffen waarvoor iemand zich kan aanmelden. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 29 mei 2024, onder 2.2. Tot slot betoogt [appellant] dat volgens reacties op hulpverzoeken vóór de machtsovername door de Taliban alleen tolken in aanmerking kwamen voor evacuatie. Dit betoog leidt - wat hier verder ook van zij - niet tot het door hem beoogde resultaat. Hij heeft namelijk niet met bewijsstukken onderbouwd dat hij eerder zonder succes een hulpverzoek heeft ingediend.
De betogen slagen niet.
Gelijkheidsbeginsel
6. In de vijfde hogerberoepsgrond betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij door het overleggen van een lijst van overgebracht personeel van ASG een begin van bewijs heeft geleverd dat de minister het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.R. van Ark, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Ark
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2025
861
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:1a
1. In het bezwaarschrift kan de indiener het bestuursorgaan verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, zulks in afwijking van artikel 7:1.
[…]
3. Het bestuursorgaan kan instemmen met het verzoek indien de zaak daarvoor geschikt is.
[…]
5. Indien het bestuursorgaan instemt met het verzoek zendt het het bezwaarschrift, onder vermelding van de datum van ontvangst, onverwijld door aan de bevoegde rechter.
[…]
Artikel 8:45
1. De bestuursrechter kan partijen en anderen verzoeken binnen een door hem te bepalen termijn schriftelijk inlichtingen te geven en onder hen berustende stukken in te zenden.
[…]