Rechtspraak
Raad van State
2025-04-09
ECLI:NL:RVS:2025:1556
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
687 tokens
Inleiding
202407837/1/V1.
Datum uitspraak: 9 april 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 november 2024 in zaak nr. NL24.7104 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 26 november 2024 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Habib-Portier, advocaat in Oss, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant klaagt in zijn enige grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding bestaat. De rechtbank heeft niet onderkend dat in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit, het aan het bestuursorgaan is om aannemelijk te maken dat het bestuursorgaan het desbetreffende stuk heeft verzonden. Gelet op de betwisting van de ontvangst van het besluit per fax door de gemachtigde van appellant, had de minister de daadwerkelijke verzending daarvan aannemelijk moeten maken. De minister heeft dit niet gedaan. De enkele door de minister zelf op het besluit geplaatste zin dat zij dit per fax heeft verzonden, is daartoe onvoldoende.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover de rechtbank geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de minister in de proceskosten in beroep veroordelen. De minister moet ook de proceskosten in hoger beroep vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 november 2024 in zaak nr. NL24.7104, voor zover de rechtbank geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Zwemstra
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2025
91-1118