Rechtspraak
Raad van State
2025-04-04
ECLI:NL:RVS:2025:1509
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
768 tokens
Inleiding
202500479/1/V3.
Datum uitspraak: 4 april 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 16 januari 2025 in zaak nr. NL25.457 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluiten van 4 januari 2025 heeft de minister betrokkene de toegang tot Nederland geweigerd en hem een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 16 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. T. Neijzen, advocaat in Leiden, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. In een eerdere uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de eerdere vrijheidsontnemende maatregel die de minister betrokkene had opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 onrechtmatig was vanwege de detentieomstandigheden in het Justitieel Complex Schiphol (hierna: JCS), waar die maatregel ten uitvoer werd gelegd. De rechtbank heeft in de uitspraak van 16 januari 2025 geoordeeld dat die onrechtmatigheid de opvolgende vrijheidsontnemende maatregel, die in deze zaak ter beoordeling voorligt, onevenredig bezwarend maakt en daarmee ook onrechtmatig.
1.1. De minister komt terecht op tegen dit oordeel. Nog daargelaten het antwoord op de vraag of de onrechtmatigheid van de eerdere maatregel gevolgen zou moeten hebben voor de rechtmatigheid van de opvolgende maatregel, maakten de omstandigheden in het JCS de eerdere maatregel namelijk niet onrechtmatig. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789.
1.2. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 16 januari 2025 in zaak nr. NL25.457;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2025
846-1020