Rechtspraak
Raad van State
2024-12-24
ECLI:NL:RVS:2024:5429
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Hoger beroep
2,444 tokens
Inleiding
202201208/1/R1.
Datum uitspraak: 24 december 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Houten,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 januari 2022 in zaak nr. 21/2712 in het geding tussen onder meer:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Houten.
Procesverloop
Bij besluit van 17 mei 2021 heeft het college aan Parzijde B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van 28 appartementen op het perceel Olijvengaarde 1-28 in Houten.
Bij uitspraak van 18 januari 2022 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Parzijde heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college heeft eveneens een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 2024, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door mr. A.R.E. Maris en bijgestaan door ing. L.F.A. Theuws, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Parzijde, vertegenwoordigd door mr. N.A.J. van Heel, advocaat te Tilburg, gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 16 november 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. De door Parzijde op 16 november 2020 ingediende aanvraag heeft betrekking op het bouwen van een woongebouw op het perceel Druivengaarde 5 (thans: Olijvengaarde 1-28 in Houten (hierna: het perceel). Het woongebouw bestaat uit 28 appartementen met galerij, bergingen met fietsenstalling en een kelder (hierna: het appartementencomplex). Blijkens tekeningen bij de aanvraag worden op het dak van het gebouw droge koelers, door partijen drycoolers genoemd (hierna: de drycoolers), geplaatst.Ter plaatse van het perceel gold ten tijde van het besluit de beheersverordening "Houten Noord-Zuid". Op grond van de beheersverordening mogen de gronden en bestaande bouwwerken worden gebruikt overeenkomstig het bestaande gebruik. Omdat de gronden worden gebruikt ten behoeve van een kantoorgebouw, is het bouwplan in strijd met de beheersverordening. Het college heeft met het besluit van 17 mei 2021 omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3, van de Wabo. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het appartementencomplex in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft aan zijn besluit het stuk "Ruimtelijke onderbouwing" van RHO Adviseurs van 21 augustus 2020 en de naar aanleiding van de ingediende zienswijzen opgestelde memo van RHO Adviseurs van 12 april 2021 ten grondslag gelegd. [appellante] woont op het perceel [locatie 1] tegenover het te realiseren appartementencomplex. Zij is het niet eens met de verlening van de vergunning. Zij vreest dat zij geluidsoverlast zal ondervinden door de drycoolers die op het dak van het appartementencomplex zijn voorzien.
Participatietraject
3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat geen vooroverleg heeft plaatsgevonden vooruitlopend op het definitief indienen van de aanvraag om de omgevingsvergunning. Volgens haar is dat een vereiste bij het verlenen van een omgevingsvergunning. Daarvoor verwijst zij naar de memorie van toelichting op de Omgevingswet. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het geen wettelijke verplichting was om voorafgaand aan het indienen van de definitieve aanvraag een vooroverleg te voeren. De verwijzing van [appellante] naar de Omgevingswet treft geen doel omdat, zoals onder 1 is overwogen, de Omgevingswet niet van toepassing is op deze procedure.
Het betoog faalt.
Leidt de omgevingsvergunning tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat vanwege geluidoverlast?
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het gebruik van het appartementencomplex zal leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het geluidsniveau van de vergunde drycoolers op het dak van het appartementencomplex zal namelijk leiden tot een voor haar onaanvaardbaar geluidsniveau. Het college heeft voor de vraag wanneer sprake is van een nog aanvaardbaar geluidsniveau volgens haar geen aansluiting mogen zoeken bij de norm van 40 dB van artikel 3.8 van het Bouwbesluit 2012. Het had volgens haar meer voor de hand gelegen als het college aansluiting had gezocht bij een geluidsniveau van maximaal 35 dB(A) in de nachtperiode, waarbij zij bijlage 5 van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2009 noemt. Volgens [appellante] is het college er bij de toetsing of aan het geluidsniveau van 40 dB kan worden voldaan, ten onrechte van uitgegaan dat niet meer dan twee drycoolers zijn vergund. De bouwtekeningen sluiten niet uit dat er wel tien drycoolers kunnen worden geplaatst. Onder verwijzing naar een notitie die haar gemachtigde [gemachtigde], die ook werkzaam is bij de Nederlandse Stichting Geluidshinder (hierna: NSG), heeft opgesteld, stelt [appellante] dat indien tien drycoolers worden geplaatst, het geluidsniveau op 36 meter afstand daarvan 41 dB(A) zal zijn. Dat komt mede omdat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de geluidreflecterende werking van het dak. Het te verwachten geluidsniveau zal daarom ten opzichte van het berekende geluidsniveau 3 dB(A) hoger zijn. Ook is onvoldoende rekening gehouden met het tonale karakter van het geluid. Tot slot stelt [appellante] dat door slecht onderhoud en ouderdom de drycoolers in de toekomst mogelijk meer geluid zullen gaan genereren dan waarvan in het onderzoek is uitgegaan.
4.1. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
4.2. Voor de beoordeling of bij het in gebruik zijn van de vergunde drycoolers sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau voor de omgeving is het college uitgegaan van een geluidsniveau van 40 dB(A) op de erfgrens. Daarbij heeft het enige betekenis toegekend aan artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012, zoals dat gold met ingang van 1 april 2021, waarin is geregeld dat een installatie voor warmte- of koudeopwekking, die is opgesteld buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk, op de perceelgrens met een perceel voor een andere woonfunctie een geluidsniveau van ten hoogste 40 dB mag veroorzaken.
Op grond van artikel 9.1, zesde lid, van het Bouwbesluit 2012 blijven op een aanvraag die is gedaan voor 1 april 2021, zoals in dit geval, de voorschriften van het Bouwbesluit 2012 zoals die toen golden van toepassing. De stelling van [appellante] dat op de aanvraag artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012 niet rechtstreeks van toepassing is, is dan ook op zichzelf juist. Dat neemt echter niet weg dat het college voor de vraag of wat betreft de drycoolers sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau een geluidsniveau van 40 dB(A) heeft mogen hanteren. Dat het college ook een ander geluidsniveau heeft mogen hanteren, zoals dat van 35 dB(A) in de nachtperiode, maakt niet dat het college dit ook had moeten doen. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.
Het betoog treft in zoverre geen doel.
4.3. Het college is bij de toetsing van de aanvraag ervan uitgegaan dat er, mede gezien de gereserveerde ruimte op het dak, twee drycoolers op het dak zullen worden geplaatst. Op tekeningen bij de aanvraag, die onderdeel uitmaken van de vergunning, is met een kader indicatief weergegeven waar op het dak drycoolers worden geplaatst. Het gaat om een kader dat een vak van 7,5 meter bij 1,5 meter weergeeft. De kortste afstand tussen de dichtstbijzijnde woning en de weergegeven locatie van de drycoolers bedraagt 36 meter. De Afdeling stelt vast dat de afstand van de perceelgrens van [appellante] tot die locatie minimaal 30 meter bedraagt.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.
w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Heusden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2024
163-1124