Rechtspraak
Raad van State
2024-12-17
ECLI:NL:RVS:2024:5205
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
854 tokens
Inleiding
202303606/1/V3.
Datum uitspraak: 17 december 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 1 juni 2023 in zaak nr. NL23.10105 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 3 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.
Bij uitspraak van 1 juni 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op deze aanvraag neemt.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.M. Schurink-Smit, advocaat in Nijmegen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht tot het oordeel gekomen dat het besluit van 3 april 2023 is genomen in strijd met artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. De vreemdeling heeft namelijk ten onrechte niet de gelegenheid gehad om binnen twee weken na het geplande nader gehoor van 28 maart 2023 aan te tonen dat het niet verschijnen op dat gehoor niet aan hem toe te rekenen is. Daargelaten of de medische klachten, die de vreemdeling in de zienswijze van 31 maart 2023 heeft genoemd, al waren betrokken bij de adviezen van Medifirst van 23 november 2022 en 7 februari 2023, die tot de conclusie hadden geleid dat de vreemdeling kon worden gehoord, is de minister er ten onrechte aan voorbij gegaan dat de vreemdeling in de zienswijze heeft vermeld dat hij in afwachting is van een rapport van een medisch specialist. De vreemdeling wijst er in zijn schriftelijke uiteenzetting alleen al daarom terecht op dat hem de mogelijkheid is ontnomen binnen twee weken na het geplande nader gehoor medische stukken aan te leveren die zouden onderbouwen dat hij verschoonbaar niet was verschenen op dat gehoor.
1.1 Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 875,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2024
47-1086