Rechtspraak
Raad van State
2024-12-13
ECLI:NL:RVS:2024:5163
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
964 tokens
Inleiding
202406561/1/V3 en 202406561/2/V3.
Datum uitspraak: 13 december 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op de hoger beroepen van:
1. de minister van Asiel en Migratie,
2. [de vreemdeling],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 7 oktober 2024 in zaken nrs. NL24.10864 en NL24.10885 in de gedingen tussen:
de vreemdeling
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 20 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het bezwaar van de vreemdeling tegen zijn feitelijke overdracht aan Bulgarije op 16 februari 2024 niet-ontvankelijk verklaard.
Bij besluit van 6 maart 2024 heeft de staatssecretaris een opvolgende aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw niet in behandeling genomen, en heeft de staatssecretaris opnieuw vastgesteld dat hij de vreemdeling aan Bulgarije over zal dragen.
Bij uitspraak van 7 oktober 2024 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het besluit van 20 februari 2024 niet-ontvankelijk verklaard. Bij diezelfde uitspraak heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het besluit van 6 maart 2024 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.M.G.M. Raafs, advocaat in Sittard, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De voorzieningenrechter van de Afdeling neemt de motivering onder 6 tot en met 22 van de uitspraak van de rechtbank over en verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 5 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4948, over de vraag of een verzoek bij de voorzieningenrechter om de uitvoering van een overdrachtsbesluit op te schorten, gedaan tijdens een bezwaarprocedure tegen de feitelijke overdracht, tot opschorting van de overdrachtstermijn kan leiden.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de hogerberoepschriften geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep zijn ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 875,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2024
47-1111