Rechtspraak
Raad van State
2024-07-24
ECLI:NL:RVS:2024:4950
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
609 tokens
=== VOLLEDIG ===
202403544/1/A2.
Datum uitspraak: 24 juli 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[appellant], wonend in Amsterdam,
appellant,
en
de Raad van Bestuur van het ROC van Amsterdam, (hierna: de raad)
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 24 juli 2024 om 12:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.J. Daalder, voorzitter
Staatsraad mr. J.E.M. Polak, rapporteur
Staatsraad mr. C.J. Borman, lid
Griffier: mr. O. van Loon
Jurist: mr. L.J.A. van Gils
Verschenen:
[appellant];
de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Jonk en W. Gerritsen;
Het beroep richt zich tegen de beslissing van de raad van 30 mei 2024, waarbij de beëindiging van de inschrijving van [appellant] van 3 april 2024 in stand is gelaten.
De Afdeling bestuursrechtspraak:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van de Raad van Bestuur van het ROC van Amsterdam van 30 mei 2024, met kenmerk 2032867;
III. herroept de beslissing van de Raad van Bestuur van het ROC van Amsterdam van 3 april 2024;
IV. veroordeelt de Raad van Bestuur van het ROC van Amsterdam tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 33,39;
V. gelast dat de Raad van Bestuur van het ROC van Amsterdam aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 51,00 vergoedt.
Gronden:
De Afdeling ziet zich gesteld voor de vraag of de Wet educatie en beroepsonderwijs een wettelijke grondslag kent voor het beëindigen van de inschrijving van [appellant] als hier aan de orde. Op zitting heeft de Afdeling aan de raad gevraagd wat volgens hem de wettelijke grondslag is. Deze wettelijke grondslag heeft hij niet kunnen noemen. De Afdeling heeft die wettelijke grondslag zelf ook niet gevonden. Dit betekent dat de beëindiging van de inschrijving alleen al hierom niet in stand kan blijven.
Tijdens de zitting bij de Afdeling zijn partijen met elkaar in gesprek gekomen over de toekomst van [appellant] op het ROC van Amsterdam. De Afdeling hoopt dat partijen dit overleg voortzetten en samen een vervolg kunnen geven aan deze uitspraak.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Van Loon
griffier
284-1043