Rechtspraak
Raad van State
2024-11-15
ECLI:NL:RVS:2024:4834
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Mondelinge uitspraak
829 tokens
Volledig
202404470/2/R4.
Datum uitspraak: 15 november 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algzene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[appellant] en anderen, allen wonend in Rheden,
verzoekers,
en
de raad van de gemeente Rheden,
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 15 november 2024 om 11:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter
griffier: mr. J.V. Vreugdenhil
Verschenen:
[appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en vergezeld door [gemachtigde B], [gemachtigde C], [gemachtigde D] en [gemachtigde E];
de raad, vertegenwoordigd door C.M. Geerts en J.M.F. Griens;
Europa Have B.V., Becedo Vastgoed B.V. en Becedo Vastgoed I B.V. (hierna tezamen: Becedo), vertegenwoordigd door mr. R.H.M. Sipman, advocaat te Baarn, en vergezeld door J. Sanders.
=
=
Het verzoek richt zich tegen het besluit van de raad van 28 mei 2024, waarbij het bestemmingsplan "Rheden, locatie Groenestraat-Oranjeweg (uitbreiding supermarkt)" is vastgesteld. De voorzieningenrechter is verzocht een voorlopige voorziening te treffen en het bestemmingsplan te schorsen.
De voorzieningenrechter
I. wijst het verzoek af.
Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende:
De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening. Desgevraagd is op de zitting door zowel de raad als Becedo bevestigd dat geen aanvraag is ingediend voor een omgevingsvergunning voor de uitbreiding van de supermarkt aan de Groenestraat in Rheden die het voorliggende bestemmingsplan mogelijk maakt. Ook zal een dergelijke vergunningaanvraag niet op korte termijn worden gedaan. Verder is niet gebleken dat de nieuwe bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan mogelijk maakt, op dit moment aanleiding geven voor het uitvoeren van voorbereidende werkzaamheden die feitelijk onomkeerbare gevolgen zullen hebben en waarvoor het bestemmingsplan nodig is om deze uit te kunnen voeren.
Anders dan de voorzieningenrechter van de Afdeling in het verleden heeft geoordeeld, is de enkele stelling dat het voornemen bestaat om te gaan bouwen of een vergunningaanvraag in te dienen voor bouwen, onvoldoende om spoedeisendheid aan te nemen bij een verzoek om schorsing van een bestemmingsplan. De praktijk leert immers dat het uitzonderlijk is dat er vooruitlopend op de onherroepelijkheid van een bestemmingsplan daadwerkelijk een aanvraag wordt ingediend en uitvoering wordt gegeven aan een bouwplan.
Wel wijst de voorzieningenrechter erop dat [appellant] en anderen een nieuw verzoek om voorlopige voorziening kunnen indienen als zich nieuwe of andere omstandigheden voordoen die maken dat alsnog een voorlopige voorziening moet worden getroffen voordat de Afdeling uitspraak heeft gedaan op het beroep in de bodemprocedure.
Tot slot oordeelt de voorzieningenrechter dat de raad geen proceskosten hoeft te vergoeden.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Vreugdenhil
griffier
571