Rechtspraak
Raad van State
2024-11-25
ECLI:NL:RVS:2024:4828
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
630 tokens
Inleiding
202405785/1/V3 en 202405785/2/V3.
Datum uitspraak: 25 november 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 6 september 2024 in zaak nr. NL24.29233 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 22 juli 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 6 september 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.H. Bokhorst, advocaat in Veenendaal, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft een nader stuk ingediend en op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
Overwegingen
1. De minister heeft de Afdeling bij brief van 1 oktober 2024 desgevraagd laten weten dat de vreemdeling uit eigen beweging Nederland heeft verlaten. De gemachtigde van de vreemdeling is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren en toe te lichten of hij contact heeft onderhouden met de vreemdeling over zijn verblijfplaats en de verdere voortgang van deze procedure, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt. Daaruit leidt de Afdeling af dat de vreemdeling niet langer bescherming in Nederland zoekt. Daarom heeft de vreemdeling geen belang bij een beoordeling van het hoger beroep.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2024
18-1023