Rechtspraak
Raad van State
2024-10-23
ECLI:NL:RVS:2024:4474
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
994 tokens
Inleiding
202307216/1/A2.
Datum uitspraak: 23 oktober 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 oktober 2023 in zaak nr. 22/1910 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Belastingdienst/Toeslagen (thans: Dienst Toeslagen).
Openbare zitting gehouden op 23 oktober 2024 om 13:45 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. J.M. Willems
Griffier: mr. O. van Loon
Jurist: J.E.T. de Regt
Verschenen:
[appellante];
de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden].
=
=
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 13 oktober 2023 van de rechtbank Gelderland.
Motivering
[appellante] komt op tegen de vaststelling en terugvordering van de huurtoeslag over 2018. De Dienst Toeslagen heeft de huurtoeslag van [appellante] voor dat jaar op nihil gesteld, omdat zij blijkens de basisregistratie inkomen (hierna: de BRI) voordeel had genoten uit sparen en beleggen. Dat voordeel was deels afkomstig van de voormalige echtelijke woning van [appellante], waarvan zij op 1 januari 2018 nog mede-eigenaar was. [appellante] betoogt dat zij feitelijk niet over dit vermogen beschikte, omdat ze feitelijk al was uitgekocht door haar ex-partner. Alleen de akte van verdeling is pas in oktober 2018 gepasseerd, zodat alleen de juridische eigendom tot dat moment nog deels bij haar lag.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen terecht is uitgegaan van de gegevens uit de BRI, omdat de Dienst Toeslagen het door de inspecteur van de Belastingdienst vastgestelde verzamelinkomen moet volgen. Die is op zijn beurt uitgegaan van de door [appellante] ingevulde en ondertekende aangifte inkomstenbelasting over 2018. De rechtbank heeft erop gewezen dat als [appellante] het niet eens is met het over 2018 vastgestelde vermogen, zij zich tot de inspecteur van de Belastingdienst moet wenden om de fiscale gegevens te laten corrigeren. [appellante] betoogt in hoger beroep opnieuw dat de gegevens niet stroken met de materiële werkelijkheid. Dat is zo goed als een herhaling van wat zij bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank is hier gemotiveerd op in gegaan in de overwegingen 5 tot en met 5.2.3, en de Afdeling kan zich vinden in dat oordeel.
[appellante] voert daarnaast aan dat zij feitelijk niet kon beschikken over dit vermogen, en dat zij leeft van een bijstandsuitkering. De Afdeling begrijpt dit betoog zo dat de Dienst Toeslagen het voorschot niet mocht terugvorderen omdat dit tot onevenredige gevolgen leidt. Omdat de Dienst Toeslagen terecht is uitgegaan van de gegevens uit de BRI, is de huurtoeslag van [appellante] over 2018 ook terecht op nihil gesteld. Dat betekent dat de Dienst Toeslagen in beginsel moet terugvorderen. Dat is anders als sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor gehele of gedeeltelijke terugvordering tot onevenredige gevolgen leidt. In het Verzamelbesluit Toeslagen is bepaald dat wanneer sprake is van overschrijding van de vermogensgrens in beginsel steeds wordt teruggevorderd en dat de financiële omstandigheden van belanghebbende in principe geen reden zijn om de terugvordering te matigen, omdat een betalingsregeling kan worden getroffen die met die omstandigheden rekening houdt. Er is in dit geval geen reden om aan te nemen dat de Dienst Toeslagen hier niet van heeft mogen uitgaan. Verder heeft [appellante] de terugvordering inmiddels al volledig voldaan. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de terugvordering voor haar onevenredig was zodat de Dienst Toeslagen geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.
De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
284-1128