Rechtspraak
Raad van State
2024-10-28
ECLI:NL:RVS:2024:4416
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,093 tokens
=== VOLLEDIG ===
202206211/1/R2.
Datum uitspraak: 28 oktober 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Liessel, gemeente Deurne,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Deurne,
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 28 oktober 2024 om 13:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.A. Minderhoud, voorzitter,
griffier: mr. M. Scheele,
jurist: mr. M. van der Heiden.
Verschenen:
[appellanten], bijgestaan door mr. E.H.E.J. Wijnen, advocaat in Tilburg;
De raad, vertegenwoordigd door ir. F.J.M. Looijmans-Verhoef en mr. A.M.T. Willems;
Het beroep richt zich tegen het besluit van de raad van 5 juli 2022 waarbij het "Herstelbestemmingsplan buitengebied Deurne 2021" gewijzigd is vastgesteld.
[appellanten] kunnen zich niet vinden in het deel van het bestemmingsplan dat een regeling geeft voor hun perceel aan de [locatie] in Liessel. De raad heeft namelijk niet beoordeeld of hun initiatief voor een wijziging van de regeling voor dit perceel kan worden overgenomen, terwijl zij hiervoor tijdig een concreet initiatief hebben overgelegd.
De Afdeling verklaart het beroep ongegrond.
Redenen voor dit oordeel:
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het beroep tegen het besluit van 29 september 2022 is het recht zoals dat gold ten tijde van het nemen van dat besluit bepalend.
2. De raad moet bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met een particulier initiatief voor een ruimtelijke ontwikkeling als dat initiatief voldoende concreet is, tijdig aan hem kenbaar is gemaakt en de raad op het moment van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan beoordelen.
3. In juli 2020 zijn [appellanten] met de gemeente in gesprek gegaan over hun voornemen om een veldschuur op hun perceel op te knappen of te slopen en op dezelfde locatie een nieuw gebouw te realiseren. In dat gesprek heeft de gemeente laten weten dat daarvoor het bestemmingsplan gewijzigd moet worden. Op 18 juni 2021 heeft de raad het actualiserende bestemmingsplan "Herstelbestemmingsplan buitengebied Deurne 2021" in ontwerp ter inzage gelegd. [appellanten] hebben in hun zienswijze over dit ontwerp een verzoek tot wijziging van het bestemmingsvlak voor hun woonbestemming ingediend. Bij dit verzoek hebben zij een voorstel voor een verbeelding opgenomen.
4. De Afdeling is van oordeel dat het initiatief in beginsel concreet is en ook tijdig kenbaar is gemaakt. Maar de raad mocht zich op het standpunt stellen dat hij op het moment van vaststelling van het plan de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het initiatief niet kon beoordelen en ook de benodigde gegevens miste om hier adequaat naar te vragen.
Het noordelijke deel van de gronden dat onderdeel is van de wijziging die [appellanten] wensen, is eigendom van een ander, hoewel die gronden vallen onder hetzelfde bestemmingsvlak "Wonen" als waarover het initiatief gaat. De eigenaar van dit noordelijk deel is echter niet betrokken bij het initiatief en in het verzoek hebben [appellanten] niet kenbaar gemaakt dat deze eigendomsverhouding relevant kon zijn voor het initiatief. Daarom kan in dit geval de raad niet verweten worden dat hij niet in een eerder stadium heeft meegedeeld dat op dit onderdeel nadere informatie is vereist. Dat deze eigenaar volgens [appellanten] niet mee wil werken aan de bestemmingsplanwijziging, maakt het voorgaande niet anders, omdat dit geen invloed heeft op de kennispositie van de raad.
Ofschoon het zuidelijke deel van het perceel van [appellanten] niet in het initiatief is betrokken, speelt dat perceelsgedeelte naar het oordeel van de Afdeling bij de beoordeling van het initiatief ook een rol, in verband met de zogenaamde regeling voor bijgebouwen. Een en ander is in het initiatief niet betrokken, zodat de raad ook in dat opzicht de belangen van betrokkenen niet goed kon afwegen.
Het betoog slaagt niet.
5. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Scheele
griffier
723-1074