Rechtspraak
Raad van State
2024-01-30
ECLI:NL:RVS:2024:435
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
1,666 tokens
Volledig
202306968/2/R3.
Datum uitspraak: 30 januari 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
de vereniging Natuurlijk Delfland en de stichting Pasgeld Natuurlijk, gevestigd te Delft onderscheidenlijk Rijswijk,
verzoeksters,
en
de raad van de gemeente Rijswijk,
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 30 januari 2024 om 10:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. G.T.J.M. Jurgens, voorzieningenrechter
griffier: mr. M. Priem
Verschenen:
de vereniging en de stichting, vertegenwoordigd door mr. A.E. de Leur, [drie gemachtigden];
raad, vertegenwoordigd door S.T.J. Olierook, advocaat te Den Haag, F.D.J. de Bruijn en ir. J. de Oude;
Ontwikkelingscombinatie Harnaschpolder C.V. h.o.d.n. Ontwikkelingscombinatie Pasgeld, vertegenwoordigd door mr. J.A. Mohuddy, [twee gemachtigden].
Bij besluit van 21 september 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Pasgeld-West" vastgesteld. Dit plan voorziet onder meer in de bouw van 1.000 woningen in Pasgeld-West. Dit zijn 225 extra woningen ten opzichte van de woningen die waren voorzien in het vorige bestemmingsplan "Sion - ’t Haantje, tweede herziening" van 6 maart 2018.
Om onomkeerbare gevolgen te voorkomen hebben de vereniging en de stichting de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Daartoe overweegt zij het volgende.
De vereniging en de stichting hebben beroep ingesteld, omdat opschaling van het oorspronkelijk beoogde aantal woningen naar 1.000 woningen naar hun mening niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Zij voeren beroepsgronden aan over de aspecten stikstof, de noodzaak van een milieueffectrapportage, soortenbescherming, groen en de waterhuishouding.
De raad heeft verklaard dat de door de raad voorgenomen werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd op grond van het vorige plan "Sion ’t Haantje, tweede herziening" en dat op grond van het voorliggende plan geen werkzaamheden zullen worden verricht die kunnen leiden tot onomkeerbare gevolgen. Verder hebben de raad en de ontwikkelingscombinatie Pasgeld verklaard dat er op grond van het nu voorliggende bestemmingsplan "Pasgeld-West" geen omgevingsvergunningen voor bouwen zullen worden aangevraagd totdat uitspraak is gedaan in de bodemzaak, ervan uitgaande dat de bodemzaak met enige voortvarendheid op een zitting wordt behandeld.
De vereniging en de stichting kunnen een nieuwe verzoek om voorlopige voorziening indienen als er ondanks deze verklaringen toch omgevingsvergunningen voor bouwen worden aangevraagd of andere activiteiten worden verricht op grond van het voorliggende plan die kunnen leiden tot onomkeerbare gevolgen.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat met het verzoek van de vereniging en de stichting geen spoedeisend belang is gemoeid dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.
De raad hoeft de proceskosten niet te vergoeden.
w.g. Jurgens
voorzieningenrechter
w.g. Priem
griffier
646
Volledig
202306968/2/R3.
Datum uitspraak: 30 januari 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
de vereniging Natuurlijk Delfland en de stichting Pasgeld Natuurlijk, gevestigd te Delft onderscheidenlijk Rijswijk,
verzoeksters,
en
de raad van de gemeente Rijswijk,
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 30 januari 2024 om 10:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. G.T.J.M. Jurgens, voorzieningenrechter
griffier: mr. M. Priem
Verschenen:
de vereniging en de stichting, vertegenwoordigd door mr. A.E. de Leur, [drie gemachtigden];
raad, vertegenwoordigd door S.T.J. Olierook, advocaat te Den Haag, F.D.J. de Bruijn en ir. J. de Oude;
Ontwikkelingscombinatie Harnaschpolder C.V. h.o.d.n. Ontwikkelingscombinatie Pasgeld, vertegenwoordigd door mr. J.A. Mohuddy, [twee gemachtigden].
Bij besluit van 21 september 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Pasgeld-West" vastgesteld. Dit plan voorziet onder meer in de bouw van 1.000 woningen in Pasgeld-West. Dit zijn 225 extra woningen ten opzichte van de woningen die waren voorzien in het vorige bestemmingsplan "Sion - ’t Haantje, tweede herziening" van 6 maart 2018.
Om onomkeerbare gevolgen te voorkomen hebben de vereniging en de stichting de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Daartoe overweegt zij het volgende.
De vereniging en de stichting hebben beroep ingesteld, omdat opschaling van het oorspronkelijk beoogde aantal woningen naar 1.000 woningen naar hun mening niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Zij voeren beroepsgronden aan over de aspecten stikstof, de noodzaak van een milieueffectrapportage, soortenbescherming, groen en de waterhuishouding.
De raad heeft verklaard dat de door de raad voorgenomen werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd op grond van het vorige plan "Sion ’t Haantje, tweede herziening" en dat op grond van het voorliggende plan geen werkzaamheden zullen worden verricht die kunnen leiden tot onomkeerbare gevolgen. Verder hebben de raad en de ontwikkelingscombinatie Pasgeld verklaard dat er op grond van het nu voorliggende bestemmingsplan "Pasgeld-West" geen omgevingsvergunningen voor bouwen zullen worden aangevraagd totdat uitspraak is gedaan in de bodemzaak, ervan uitgaande dat de bodemzaak met enige voortvarendheid op een zitting wordt behandeld.
De vereniging en de stichting kunnen een nieuwe verzoek om voorlopige voorziening indienen als er ondanks deze verklaringen toch omgevingsvergunningen voor bouwen worden aangevraagd of andere activiteiten worden verricht op grond van het voorliggende plan die kunnen leiden tot onomkeerbare gevolgen.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat met het verzoek van de vereniging en de stichting geen spoedeisend belang is gemoeid dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.
De raad hoeft de proceskosten niet te vergoeden.
w.g. Jurgens
voorzieningenrechter
w.g. Priem
griffier
646