Rechtspraak
Raad van State
2024-10-16
ECLI:NL:RVS:2024:4156
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Hoger beroep
2,514 tokens
Inleiding
202302805/1/R1.
Datum uitspraak: 16 oktober 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de Vereniging Glastuinbouw Nederland (hierna: de Vereniging), gevestigd in Den Haag,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2023 in zaak nr. 22/96 in het geding tussen:
de Vereniging,
en
het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen.
Procesverloop
Bij besluit van 2 juli 2021 heeft het college geweigerd aan Diton Vastgoed B.V. (hierna: Diton) een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een gebouw ten behoeve van de uitoefening van een tuinbouwbedrijf en het verbreden van een bestaande in- en uitrit op het perceel Meerlandenweg 28 te Amstelveen (hierna: het perceel).
Bij besluit van 30 november 2021 heeft het college het door Diton daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 2 juli 2021 herroepen en alsnog een omgevingsvergunning verleend.
Bij uitspraak van 20 maart 2023 heeft de rechtbank het door de Vereniging daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de Vereniging hoger beroep ingesteld.
Het college en Diton hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Diton heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 september 2024, waar de Vereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.P. Foppe, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Diton, vertegenwoordigd door [gemachtigde B] en [gemachtigde C] en bijgestaan door mr. B.J.P.M. Zwinkels, advocaat te Honselersdijk, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De omgevingsvergunning is op 2 juni 2021 aangevraagd. Dat betekent dat de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Diton is projectontwikkelaar en ook eigenaar van het perceel. Op het perceel rust op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Legmeerpolder" de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw".
3. Op 22 oktober 2020 heeft Diton een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een agrarisch verwerkingsbedrijf en het veranderen van een bestaande in- en uitrit op het perceel. Hierna heeft Diton een nieuwe aanvraag ingediend voor het bouwen van een gebouw ten behoeve van de uitoefening van een glastuinbouwbedrijf. Het college heeft de aangevraagde vergunning bij besluit van 2 juli 2021 geweigerd, omdat volgens het college niet aannemelijk was dat aan de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 werd voldaan. In de bezwaarprocedure heeft Diton aanvullende gegevens overgelegd en heeft zij op 11 november 2021 een wijziging van ondergeschikte aard in het bouwplan aangebracht. Dit gaf het college aanleiding het besluit van 2 juli 2021 te herroepen en alsnog een omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteit bouwen en het verbreden van de bestaande in- en uitrit op het perceel. De Vereniging heeft onder meer tot doel het leveren van een bijdrage aan een gezonde, groene en toekomstgerichte glastuinbouwsector en komt op voor de sociale en economische belangen van haar leden. Zij verzet zich tegen de verleende omgevingsvergunning, omdat volgens haar het vergunde bouwwerk niet geschikt is voor glastuinbouw.
Hoger beroep van de Vereniging
Voldoet het bouwwerk aan de begripsomschrijving "kas"?
3.1. De Vereniging betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met de ter plaatse geldende bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw". Volgens de Vereniging is geen sprake van een gebouw ten behoeve van de uitoefening van het tuinbouwbedrijf, omdat het op te richten gebouw niet voldoet aan de begripsomschrijving van "kas" uit het bestemmingsplan. Niet is gebleken dat het materiaal waaruit de kas zal bestaan voldoende lichtdoorlatend is. Op de zitting heeft de Vereniging verder toegelicht dat uit artikel 1.85 van de planregels volgt dat de wanden en het dak afzonderlijk voor het overgrote deel uit lichtdoorlatend materiaal moeten bestaan. Omdat de wanden voor minder dan 50% uit lichtdoorlatend materiaal bestaan, wordt niet voldaan aan artikel 1.85. Ook stelt de Vereniging dat een deel van het oppervlak van de in het gebouw te verwerken polycarbonaatplaten ten onrechte is meegerekend, omdat deze platen zich bevinden in ruimtes die niet voor de teelt worden gebruikt.
3.2. Artikel 6.1 van het bestemmingsplan luidt: "De voor ‘Agrarisch - Glastuinbouw’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. gebouwen ten behoeve van de uitoefening van het tuinbouwbedrijf, uitgezonderd bedrijfswoningen;"
Artikel 1.126 luidt: "Tuinbouwbedrijf: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van produkten door middel van het telen van gewassen, door gebruik te maken van kassen en/of open (onbebouwde) grond;".
Artikel 1.85 luidt: "Kas: een gebouw, waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal, dienend tot het kweken van vruchten, bloemen of planten;"
3.3. De rechtbank heeft in het aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het bouwwerk niet grotendeels uit lichtdoorlatend materiaal bestaat. Uit artikel 1.85 van de planregels volgt dat voor het bepalen of het bouwwerk geheel of grotendeels bestaat uit glas of lichtdoorlatend materiaal van het totaaloppervlak van zowel de wanden als het dak moet worden uitgegaan. De Afdeling ziet in het betoog van de Vereniging geen aanleiding voor de lezing van dit artikel dat zowel het oppervlak van de wanden als het oppervlak van het dak los van elkaar grotendeels van glas of lichtdoorlatend materiaal moeten zijn. Die lezing staat op gespannen voet met de letterlijke tekst van artikel 1.85 van de planregels, waarin gesproken wordt over het totaaloppervlak van zowel de wanden als het dak. Op de bouwtekeningen van de beoogde situatie, die als bijlage bij de aanvraag zijn gevoegd, is een tabel weergegeven waaruit volgt dat 52% van het totaaloppervlak van het dak en de gevels bestaat uit polycarbonaat. Diton heeft deze tabel in nadere stukken, die niet door de Vereniging zijn weerlegd, met een door de architect van het bouwwerk gemaakte berekening onderbouwd. Hieruit volgt ook dat de polycarbonaatplaten die volgens de Vereniging buiten beschouwing moeten blijven, niet zijn meegenomen in de berekening.
De rechtbank heeft in het aangevoerde terecht ook geen grond gezien voor het oordeel dat polycarbonaat onvoldoende lichtdoorlatend is om te kunnen gebruiken voor een kas. Het college heeft gemotiveerd uiteengezet dat uit algemeen openbare bronnen en diverse wetenschappelijke onderzoeken blijkt dat polycarbonaat zeer helder materiaal is dat qua lichtdoorlatendheid vergelijkbaar is met glas. Ook volgt hieruit dat de toepassing van dit kunststof bij uitstek geschikt is als wand- en dakbedekking van kassen, omdat het materiaal sterk en weerbestendig is. De rechtbank heeft aan de enkele stelling van de Vereniging dat polycarbonaat onvoldoende lichtdoorlatend is en daardoor niet geschikt is voor het kweken van vruchten, bloemen en planten geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen. Voor zover de Vereniging heeft betoogd dat de rechtbank daarmee haar deskundigheid niet heeft erkend, overweegt de Afdeling dat de Vereniging partij is in dit geschil en daarmee niet kan worden aangemerkt als onafhankelijke deskundige.
Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college met juistheid heeft geconcludeerd dat in dit geval een aanvraag is ingediend voor de bouw van een kas als bedoeld in artikel 1.85 van de planregels.
Het betoog slaagt niet.
Is het beoogde gebruik in strijd met het bestemmingsplan?
4. De Vereniging betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat met het bouwwerk geen glastuinbouw is beoogd. Volgens de Vereniging is er sprake van een loods die hooguit voor het telen van een heel beperkt aantal gewassen geschikt is. Deze ruimte kan niet dienen voor het kweken van vruchten, bloemen of planten. Dit volgt onder meer uit de aanvraag en de bijbehorende stukken, waarin staat vermeld dat het gaat om het bouwen van een loods. De Vereniging wijst verder op het gebrek aan wateropslag, het ontbreken van een teeltruimte, de aanwezigheid van nooduitgangen en een buitenproportioneel aantal laadperrons. Hieruit kan ook worden afgeleid dat het gebouw niet voor tuinbouw zal worden gebruikt. Ook is volgens de Vereniging aannemelijk dat een projectontwikkelaar een object zal realiseren dat een zo breed mogelijk marktsegment kan dienen.
4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, in onder meer de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1018, moet bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet alleen worden beoordeeld of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar ook of het bouwwerk daadwerkelijk met het oog op het toegestane gebruik wordt gebouwd.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.C.P. Venema, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.
w.g. Venema
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Deen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2024
604-1049