Rechtspraak
Raad van State
2024-09-30
ECLI:NL:RVS:2024:4051
Bestuursrecht
Hoger beroep
760 tokens
Inleiding
202306086/1/A2.
Datum uitspraak: 30 september 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2023 in zaak nr. 22/4872 in het geding tussen:
[appellant]
en
Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR).
Openbare zitting gehouden op 30 september 2024 om 10:45 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad: mr. J.M. Willems
Griffier: mr. T. van Goeverden-Clarenbeek
Jurist: mr. A.J.Q. Oskam
Verschenen:
[appellant], met een digitale verbinding;
CBR, vertegenwoordigd door mr. A.I.H. Smit en mr. R. Rodenrijs.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 9 augustus 2023 van de rechtbank Rotterdam.
Motivering
De achtergrond van het geschil is dat CBR volgens [appellant] ook na in gebreke te zijn gesteld niet-tijdig heeft beslist op zijn aanvraag om een vrijstelling van de module ‘Personeelsmanagement’. [appellant] stelt dat hij al op 14 oktober 2021 een ingebrekestelling heeft verzonden, zodat CBR hem een hogere dwangsom had moeten betalen.
Bij besluit op bezwaar van 22 september 2022 heeft CBR zijn standpunt gehandhaafd dat het de ingebrekestelling pas op 29 april 2022 heeft ontvangen. De rechtbank heeft in de uitspraak van 9 augustus 2023 het door [appellant] tegen het besluit van 22 september 2022 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij heeft inzichtelijk gemotiveerd waarom, zakelijk weergegeven, a) geen sprake is van schending van de hoorplicht, en b) dat en waarom [appellant] met de verzendbewijzen van de niet aangetekend verzonden en niet nader omschreven poststukken aan CBR, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ingebrekestelling van 14 oktober 2021 aan CBR is verzonden.
[appellant] voert in hoger beroep aan dat de rechtbank heeft miskend dat hij met de door hem overgelegde verzendbewijzen aannemelijk heeft gemaakt dat hij op 14 oktober 2021 een ingebrekestelling heeft verzonden. Verder betoogt [appellant] opnieuw dat CBR de hoorplicht heeft geschonden. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft op de zitting van de Afdeling ook desgevraagd geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn, anders dan dat hij het met die uitspraak niet eens is en dat hij de gang van zaken rondom het telefonisch horen niet chic vindt. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de motivering daarvan, onder overwegingen 3.1, 3.2 en 4.2. en ziet geen aanleiding om anders te oordelen.
Het hoger beroep is ongegrond. CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
488-1067