Rechtspraak
Raad van State
2024-08-21
ECLI:NL:RVS:2024:3342
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
717 tokens
Inleiding
202402546/1/V2.
Datum uitspraak: 21 augustus 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 april 2024 in zaak nr. NL24.11539 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 8 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 17 april 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.B. Ullah, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. In de uitspraak van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2604, is de Afdeling ingegaan op de werkwijze van de minister waarbij de minister asielaanvragen van vreemdelingen afwijst als kennelijk ongegrond als die vreemdelingen zonder geldige reden niet zijn verschenen voor het nader gehoor, terwijl zij daarvoor wel zijn uitgenodigd. De Afdeling heeft geoordeeld dat voor die werkwijze geen grondslag bestaat in de Vw 2000. Hieruit volgt dat de grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 8 maart 2024 wordt vernietigd. De minister moet een nieuw besluit op de asielaanvraag nemen en daarbij onderzoeken of de aanvraag buiten behandeling kan worden gesteld of inhoudelijk moet worden behandeld. Omdat de minister daarbij rekening moet houden met feiten en omstandigheden zoals die op dat moment zijn, is het niet nodig wat de vreemdeling verder in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd te bespreken. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 april 2024 in zaak nr. NL24.11539;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 8 maart 2024, V-[...];
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.750,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Iedema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2024
915-1048