Rechtspraak
Raad van State
2024-08-19
ECLI:NL:RVS:2024:3336
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
733 tokens
Inleiding
202205876/1/V2.
Datum uitspraak: 19 augustus 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 4 oktober 2022 in zaak nr. NL22.5972 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 6 april 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 4 oktober 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.J.J. Jansen, advocaat te Kapelle, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft overwogen dat het besluit een motiveringsgebrek bevat, omdat niet is gemotiveerd waarom er geen gebruik is gemaakt van de ambtshalve bevoegdheid om de asielaanvraag van de vreemdeling te toetsen aan artikel 8 van het EVRM, zoals neergelegd in artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb 2000. De enige grief is tegen dit oordeel gericht. Bij uitspraak van 2 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2668, onder 8 tot en met 8.3, heeft de Afdeling overwogen dat in een geval als dit, waarin de asielaanvraag niet inhoudelijk is beoordeeld en niet-ontvankelijk is verklaard, de minister ingevolge het tweede artikellid van artikel 3.6a van het Vb 2000 geen ambtshalve bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 3.6b van het Vb 2000 om de aanvraag ook nog te beoordelen op artikel 8 van het EVRM. Omdat de rechtbank niet heeft onderkend dat deze ambtshalve bevoegdheid in dit geval niet bestond, heeft zij ten onrechte een motiveringsgebrek geconstateerd. Dat betekent dat de grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 4 oktober 2022 in zaak nr. NL22.5972;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Lagaaij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2024
936