Rechtspraak
Raad van State
2024-08-15
ECLI:NL:RVS:2024:3310
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
782 tokens
Inleiding
202404692/2/V3.
Datum uitspraak: 15 augustus 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 24 juli 2024 in zaken nrs. NL24.23347 en NL.24.23349 in het geding tussen:
[vreemdeling 1], mede voor haar minderjarige kinderen en [vreemdeling 2]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluiten van 5 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 24 juli 2024 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdelingen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat de uitspraak van de rechtbank wordt geschorst totdat de Afdeling op het door hem ingestelde hoger beroep heeft beslist, zodat hij de vreemdelingen tijdens het hoger beroep mag overdragen aan Kroatië.
2. Gelet op de belangen die de minister en de vreemdelingen naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening. De vreemdelingen hebben namelijk in beroep gemotiveerd aangevoerd dat zij bij overdracht een reëel risico lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM. Als de Afdeling tot de conclusie komt dat het hoger beroep van de minister slaagt en hij de vreemdelingen dus mag overdragen aan Kroatië, vergt dit betoog van de vreemdelingen nader onderzoek waarvoor de voorzieningenprocedure zich niet goed leent (uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1029).
3. Het verzoek wordt afgewezen. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 875,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Wissels
voorzieningenrechter
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2024
962