Rechtspraak
Raad van State
2024-07-29
ECLI:NL:RVS:2024:3050
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
681 tokens
Inleiding
202403830/2/A3
Datum uitspraak: 29 juli 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), in afwachting van een uitspraak op het hoger beroep van:
de minister van Financiën,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 mei 2024 in zaak nr. 22/5040 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de minister.
Openbare zitting gehouden op 25 juli 2024 om 15:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter
griffier: mr. R.E.C. Bus
Verschenen:
De minister, vertegenwoordigd door mr. K. Jarbandhan
Procesverloop
Bij besluit van 30 maart 2022 heeft de minister het verzoek van [verzoeker] om inzage in zijn persoonsgegevens gedeeltelijk toegewezen.
Bij besluit van 24 augustus 2022 heeft de minister het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 mei 2024 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 augustus 2022 vernietigd, het besluit van 30 maart 2022 herroepen en bepaald dat de minister een maand na verzending van de uitspraak de persoonsgegevens van [verzoeker] in de Fraude Signalering Voorziening (hierna: de FSV) wist.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft de minister de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Dictum
De voorzieningenrechter bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat is beslist op het hoger beroep van de minister.
Gronden
1. Uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft tot gevolg dat de persoonsgegevens definitief worden gewist. Omdat het wissen van de gegevens onomkeerbaar is, zou de procedure in hoger beroep geen zin meer hebben als de rechtbankuitspraak vooruitlopend daarop wordt uitgevoerd.
2. Van belang hierbij is dat de minister heeft verklaard dat de persoonsgegevens uit de FSV alleen nog worden bewaard op een kopie die in een kluis ligt en dat de persoonsgegevens niet meer door de Belastingdienst worden gebruikt. Daarnaast is niet zeker dat de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep stand houdt. Het belang van [verzoeker] dat uitvoering wordt gegeven aan de uitspraak van de rechtbank weegt daarom minder zwaar dan het belang van de minister te voorkomen dat de persoonsgegevens definitief worden verwijderd.
w.g. Borman
voorzieningenrechter
w.g. Bus
griffier
1013