Rechtspraak
Raad van State
2024-06-19
ECLI:NL:RVS:2024:2485
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
651 tokens
Inleiding
202401611/1/V2.
Datum uitspraak: 19 juni 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 15 februari 2024 in zaak nr. NL23.19904 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 3 juli 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en geweigerd hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Ook heeft hij een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 15 februari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris en de vreemdeling hebben nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. Wat de vreemdeling in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd, voldoet niet aan de wet (artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000). Volgens de wet moet iemand die hoger beroep instelt, uitleggen op welk punt de uitspraak van de rechtbank niet juist is en waarom dat volgens hem zo is. Dat heeft de vreemdeling niet gedaan. De rechtbank heeft in de uitspraak uitgelegd waarom de staatssecretaris wordt gevolgd in zijn standpunt dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM, en waarom een inreisverbod tegen de vreemdeling mocht worden uitgevaardigd. In hoger beroep legt de vreemdeling uit waarom hij graag in Nederland wil blijven. Die redenen zijn begrijpelijk, maar leggen niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Omdat het hogerberoepschrift dus niet aan de eisen van de wet voldoet, kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Zwinkels
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2024
309-1113