Rechtspraak
Raad van State
2024-06-12
ECLI:NL:RVS:2024:2351
Bestuursrecht, Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
4,149 tokens
Inleiding
202400308/1/R1 en 202400308/2/R1.
Datum uitspraak: 12 juni 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:
[appellante] en anderen, allen wonend te Purmerend,
appellanten,
en
1. de raad van de gemeente Purmerend,
2. het college van burgemeester en wethouders van Purmerend,
verweerders.
Procesverloop
Bij besluit van 30 november 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Meeuwstraat 2-2023" vastgesteld.
Bij besluit van 12 december heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een appartementengebouw met
12 appartementen.
De besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro).
[appellante] en anderen hebben beroep ingesteld tegen het plan en de omgevingsvergunning. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De raad en het college hebben gezamenlijk een verweerschrift ingediend.
[appellante] en anderen hebben een nader stuk ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 mei 2024, waar [appellante] en anderen, in de personen van onder meer [appellante] en [gemachtigde A], bijgestaan door mr. A. Posset, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, en de raad en het college, vertegenwoordigd door C.T. Bernaards, M.C.A.M. Veerman en P.J.M. Morsch, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Vastgoedmaatschappij Het Groene Land B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde B], als partij gehoord.
Partijen hebben toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
Het ontwerpplan is op 29 juni 2023 ter inzage gelegd en de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 4 april 2022. Dat betekent dat in deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wro, de Crisis- en herstelwet en de Wabo, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. De bestreden besluiten maken de bouw van een gebouw met 12 appartementen mogelijk op het perceel aan de Meeuwstraat 2 in Purmerend. Vastgoedmaatschappij Het Groene Land B.V. is initiatiefnemer van deze ontwikkeling. [appellante] en anderen zijn omwonenden van het plangebied en vrezen voor aantasting van hun woon- en leefklimaat door de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt.
3. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
4. [appellante] en anderen hebben tijdens de zitting toegelicht dat hun gronden alleen tegen het plan zijn gericht.
Toetsingskader
5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De voorzieningenrechter oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Participatie
6. [appellante] en anderen voeren aan dat de participatie ontoereikend was. Er zijn slechts twee bijeenkomsten georganiseerd. Bij de eerste presentatie waren de plannen volgens hen al tot in detail uitgewerkt. Verder worden in het verslag van de informatiebijeenkomst de zwaarwegende argumenten die toen naar voren zijn gebracht niet genoemd. Er is door de omwonenden ook een handtekeningenactie opgestart, waaraan 63 bewoners hebben deelgenomen.
6.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan geen onderdeel uitmaakt van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van inspraak in die eerdere fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. In dit geval heeft de initiatiefnemer niettemin een informatiebijeenkomst op 22 mei 2018 georganiseerd om de buurtbewoners te informeren. Naar aanleiding van die bijeenkomst is het bouwplan op een aantal punten aangepast.
Verder is het plan voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb en hebben [appellante] en anderen over het ontwerpplan dat ter inzage heeft gelegen van 3 juli 2023 tot en met 14 augustus 2023 hun zienswijze naar voren kunnen brengen. In de nota van beantwoording zienswijzen is door de raad ingegaan op de door hen ingebrachte zienswijze. Dat er voor het plan geen draagvlak aanwezig was, is voor de vraag of de inspraakprocedure zorgvuldig is verlopen, op zichzelf niet relevant. Gelet op het voorgaande is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de terinzagelegging.
Het betoog van [appellante] en anderen slaagt niet.
Woon- en leefklimaat
7. [appellante] en anderen voeren aan dat met het plan een onevenredige inbreuk wordt gemaakt op hun woon- en leefklimaat. De maximum bouwhoogte binnen het plangebied was 3 m en wordt met het plan 13 m. Verder wordt het gebouw exact op de perceelsgrens van de aangrenzende woning aan de Meeuwstraat 4 geplaatst. Daardoor is sprake van verlies aan uitzicht en schaduwwerking. Ook komt volgens hen de leefbaarheid onder druk en zal de waarde van hun woningen dalen.
7.1. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.
7.2. De raad heeft een bezonningsstudie uitgevoerd. De bezonningsstudie die is uitgevoerd door Breg + Breg op 28 augustus 2023 is als bijlage 3 bij de plantoelichting opgenomen. Daaruit volgt dat er voor de bewoners van de Sternstraat geen schaduwvorming optreedt als gevolg van het plan. In de zomer is alleen bij Meeuwstraat 4 om 15:00 uur sprake van schaduw in de tuin en op de gevel van de woning. Ook in het voor- en najaar is er schaduwvorming tot 15:00 uur in de tuinen aan de Meeuwstraat 4, 6, 8 en 10. In zoverre ondervinden de bewoners van de Meeuwstraat nadelige gevolgen van het plan. Maar op basis van de bezonningsstudie kon de raad ook de conclusie trekken dat ruimschoots wordt voldaan aan de door de raad gehanteerde zogenoemde "lichte TNO-norm" van minimaal twee zonuren per etmaal op de gevel in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober. De raad mocht zich daarom op het standpunt stellen dat er geen sprake is van ernstige schaduwhinder.
De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat er voor de bewoners van de woning van Meeuwstraat 4 weliswaar aantasting van het uitzicht optreedt, maar dat de raad dit aanvaardbaar heeft mogen achten. Vanuit dat perceel zal na realisering van het bouwplan tegen een ongeveer 5 m brede gevel aan de westzijde worden aangekeken. Dat de bewoners dit als een achteruitgang ervaren, is begrijpelijk. Echter, de aantasting van het uitzicht vindt alleen plaats aan de westelijke zijde en ook aan die zijde is nog ongeveer 2,5 m tot aan de achterzijde van de tuin vrij van bebouwing. De bebouwing loopt dus niet door tot aan het einde van de tuin van de woning aan de Meeuwstraat 4. De voorzieningenrechter betrekt daarbij verder dat geen blijvend recht op vrij uitzicht bestaat en het plangebied in een stedelijke omgeving ligt met een hoge concentratie aan bebouwing. Daarmee zijn de gevolgen voor de bewoners van nummer 4 niet zodanig onevenredig, dat de raad niet tot dit plan had kunnen komen. Wat betreft de gevolgen voor het uitzicht van andere omwonenden is van belang dat de afstand tussen de woning aan de Meeuwstraat 6 en het appartementencomplex ongeveer 8 m is. De andere woningen aan de Meeuwstraat liggen op een grotere afstand. De afstand tussen de dichtstbijzijnde woning aan de Sternstraat en het voorziene appartementencomplex is 20 m. De afstanden tussen het te realiseren appartementencomplex en de bestaande woningen in samenhang met de bouwhoogte van het appartementencomplex zijn niet ongebruikelijk in een stedelijke omgeving.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond.
13. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.
14. De raad en het college hoeven geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep ongegrond;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.
w.g. Knol
voorzieningenrechter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2024
703-1036
Overwegingen
De raad heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat het uitzicht van die omwonenden niet ernstig wordt aangetast.
De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat de raad zich op het standpunt mocht stellen dat met het plan geen ernstige inbreuk wordt gemaakt op het woon- en leefklimaat van [appellante] en anderen.
Wat betreft de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van de omwonenden is er geen reden te verwachten dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. [appellante] en anderen kunnen voor de mogelijke negatieve gevolgen die zij ondervinden van het plan een verzoek om planschade indienen. Daarvoor bestaat een afzonderlijke procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden.
Het betoog slaagt niet.
Afstand tot de buitenmuur aan de Meeuwstraat 4
8. [appellante] en anderen voeren aan dat de afstand tussen de buitenmuur van de woning aan de Meeuwstraat 4 en het appartementencomplex slechts 5,5 cm wordt, waardoor volgens hen onderhoud en reparaties niet kunnen worden uitgevoerd. Verder is deze afstand volgens hen onvoldoende voor de elektrakabels. Ook hebben zij erop gewezen dat deze afstand niet verantwoord is voor de afvoer van de centrale verwarming (hierna: cv). Volgens hen bestaat er door de beperkte afstand een aanzienlijk risico dat koolmonoxide door terugslag weer in huis komt.
8.1. De voorzieningenrechter ziet in wat door [appellante] en anderen is aangevoerd over de korte afstand en de mogelijke gevolgen daarvan voor het uitvoeren van onderhoud en de cv-afvoer geen aanleiding voor het oordeel dat dit onvoldoende in de belangenafweging is meegenomen. In dat verband is op de zitting toegelicht dat er voldoende ruimte wordt gehouden voor bekabeling en voor de afvoer van de cv-ketel. Verder heeft de initiatiefnemer toegelicht dat er zorg voor wordt gedragen dat de buitenmuur van de woning van de Meeuwstraat 4 in goede staat is en onderhoudsvrij wordt gemaakt voordat de nieuwe muur wordt geplaatst, zodat onderhoud niet noodzakelijk is. In wat [appellante] en anderen hebben aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding daaraan te twijfelen.
Het betoog slaagt niet.
Bouwwerkzaamheden
9. [appellante] en anderen vrezen dat de bouwwerkzaamheden zullen leiden tot schade aan hun woningen, in het bijzonder de naastgelegen woning aan de Meeuwstraat 4. Zij hebben erop gewezen dat het bijgebouw in de tuin van Meeuwstraat 4 de fundering deelt met het pand van de voormalige apotheek. Omdat de apotheek gesloopt gaat worden, zal dat volgens hen schade opleveren aan de fundering van het bijgebouw. Verder hebben [appellante] en anderen erop gewezen dat er bij hun vloeren al betonrot is geconstateerd en dat zij vrezen dat dit door de bouwwerkzaamheden erger wordt.
9.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat mogelijke schade ten gevolge van de bouwwerkzaamheden in het kader van het bestemmingsplan een uitvoeringsaspect is. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaan in dit geval onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat zodanige schade zal ontstaan van de geplande bouwwerkzaamheden dat de raad al op voorhand had moeten inzien dat het bestemmingsplan om deze reden niet uitvoerbaar is. Zoals blijkt uit het verhandelde op de zitting, is de initiatiefnemer zich bewust van de effecten van de bouwwerkzaamheden voor de omgeving en wordt getracht deze in overleg met de uitvoerende partijen zo beperkt mogelijk te laten zijn. Verder heeft zij aangeboden een zogenoemde nulmeting uit te voeren bij de woningen aan de Meeuwstraat voordat met de werkzaamheden wordt gestart.
In dit kader merkt de voorzieningenrechter ten overvloede nog op dat de vergunninghouder aansprakelijk is voor eventuele schade als gevolg van de werkzaamheden en dat zij daarom ook maatregelen zal moeten treffen om mogelijke schade te voorkomen.
Het betoog slaagt niet.
Alternatief
10. [appellante] en anderen voeren aan dat de raad voor een alternatieve inrichting van het plangebied had moeten kiezen. Dat alternatief houdt in dat de bouwhoogte teruggebracht wordt naar 9 m en de voorgevel- en achtergevelrooilijn doorgetrokken worden. Het daartoe strekkende amendement in de gemeenteraad is volgens hen niet serieus behandeld. Verder had volgens [appellante] en anderen het appartementencomplex in het bouwplan meer opgeschoven kunnen worden in westelijke richting, zodat er meer ruimte is tussen de woning aan de Meeuwstraat 4 en het voorziene appartementencomplex.
10.1. Over het amendement heeft de raad toegelicht dat dit wel serieus is behandeld, maar onhaalbaar is geacht. Daarvoor is onder meer van belang dat het verlagen van de bouwhoogte niet aansluit bij het uitgangspunt van de raad om in het gebied meer woningen te realiseren. Verder is tijdens de zitting toegelicht dat het verder verschuiven van het appartementencomplex in westelijke richting niet wenselijk is. In dat kader is onder meer gewezen op de mogelijkheden voor het realiseren van parkeervoorzieningen en de stedenbouwkundige inpassing. Daarbij is ook afgewogen dat door het appartementencomplex verder in westelijke richting te situeren er gelet op de stedenbouwkundige voorwaarden een gevel met ramen zou moeten worden gerealiseerd. Daardoor zou er meer verlies van privacy ontstaan voor de woningen aan de Meeuwstraat. De voor- en nadelen van het aangedragen alternatief heeft de raad dus in zijn afweging betrokken. In dat kader acht de voorzieningenrechter ook van belang dat de raad de gevolgen voor het woon- en leefklimaat aanvaardbaar heeft mogen achten, gelet op wat onder 6.1 is overwogen. De raad heeft dus deugdelijk gemotiveerd waarom niet voor het aangedragen alternatief is gekozen.
Het betoog slaagt niet.
De omgevingsvergunning
11. Zoals hiervoor onder 4 is vermeld, hebben [appellante] en anderen geen gronden aangevoerd over de verleende omgevingsvergunning. Gelet hierop en omdat het bestemmingsplan in stand blijft, blijft ook de omgevingsvergunning in stand.