Rechtspraak
Raad van State
2024-05-29
ECLI:NL:RVS:2024:2203
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
914 tokens
Inleiding
202401338/1/V3.
Datum uitspraak: 29 mei 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 5 februari 2024 in zaak nr. NL23.28502 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 1 mei 2023 is de vreemdeling de toegang tot Nederland geweigerd.
Bij besluit van 17 augustus 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 februari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I.E. van der Fluit, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdeling heeft de Britse nationaliteit en heeft op 5 augustus 2022 in Nederland een aanvraag ingediend om verlening van een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige. Terwijl die aanvraag in behandeling was, is de vreemdeling Nederland uitgereisd om de bruiloft van zijn broer bij te wonen in Zuid-Afrika. Toen hij Nederland vervolgens weer wilde inreizen, is hem de toegang geweigerd. Volgens de rechtbank was dat terecht, omdat hij meer dan 90 dagen binnen een periode van 180 dagen in het Schengengebied is geweest (artikel 6, eerste lid, van de Schengengrenscode).
2. In grief 1 klaagt de vreemdeling terecht over dit oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft niet onderkend dat artikel 6, eerste lid, van de Schengengrenscode alleen van toepassing is in gevallen waarin een verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste 90 dagen wordt beoogd. In dit geval blijkt uit de door de vreemdeling ingediende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning dat door hem een langduriger verblijf in Nederland wordt beoogd. Al daarom heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de vreemdeling terecht de toegang tot Nederland is geweigerd ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Schengengrenscode.
De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond en het besluit van 17 augustus 2023 wordt vernietigd. Dit betekent dat de staatssecretaris met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het administratief beroep van de vreemdeling moet beslissen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 5 februari 2024 in zaak nr. NL23.28502;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 17 augustus 2023, V-[…];
V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.625,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Schippers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2024
873