Rechtspraak
Raad van State
2024-05-13
ECLI:NL:RVS:2024:2002
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
769 tokens
Inleiding
202400818/1/V2.
Datum uitspraak: 13 mei 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 26 januari 2024 in zaak nr. NL23.29357 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 15 september 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 26 januari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.L.J. Henket-Reijnen, advocaat te Echt, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris en de vreemdeling hebben desgevraagd nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. Bij besluit van 5 februari 2024 heeft de staatssecretaris de overdrachtstermijn om de vreemdeling op grond van de Dublinverordening aan Frankrijk over te dragen, verlengd tot en met 7 februari 2025 (hierna: het verlengingsbesluit). Gelet hierop neemt de Afdeling aan dat partijen belang hebben bij de behandeling van het hoger beroep, ondanks dat de vreemdeling in het door haar ingediende nadere stuk betoogt dat het verlengingsbesluit aan haar niet juist is bekendgemaakt, waardoor de overdrachtstermijn niet is verlengd en al op 7 februari 2024 was verstreken. Met het in deze procedure aannemen van procesbelang, geeft de Afdeling geen oordeel over de juistheid van het verlengingsbesluit en de bekendmaking hiervan. Als de vreemdeling dat aan de orde wil stellen, kan zij rechtsmiddelen aanwenden tegen het verlengingsbesluit. Daarnaast acht de Afdeling relevant dat de uitspraak van de rechtbank dateert van voor het verstrijken van de oorspronkelijke overdrachtstermijn van zes maanden.
2. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 6.2 van de uitspraak van de rechtbank over.
2.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2024
853-992