Rechtspraak
Raad van State
2024-05-08
ECLI:NL:RVS:2024:1951
Bestuursrecht
Hoger beroep
2,282 tokens
Inleiding
202205028/1/A3.
Datum uitspraak: 8 mei 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[de vennootschap], gevestigd te Amsterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 juli 2022 in zaak nr. 20/6364 in het geding tussen:
de vennootschap
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 29 juni 2020 heeft het college een last onder dwangsom aan de vennootschap opgelegd.
Bij besluit van 22 oktober 2020 heeft het college het door de vennootschap daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 juli 2022 heeft de rechtbank het door de vennootschap daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vennootschap hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 april 2024, waar de vennootschap, vertegenwoordigd door mr. J.B. Floor, en het college, vertegenwoordigd door mr. F. Sabet, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. De vennootschap exploiteert een autoverhuurbedrijf dat is gevestigd op het adres [locatie] in Amsterdam. Volgens het college heeft de vennootschap artikel 4.20, eerste lid, onder a, van de Algemene plaatselijke verordening van Amsterdam (hierna: APV) overtreden door drie of meer voertuigen die haar toebehoren op de weg in elkaars nabijheid te parkeren. Het college heeft daarom een last onder dwangsom aan de vennootschap opgelegd. Met het bestreden besluit is het college bij zijn besluit tot oplegging van de last onder dwangsom gebleven.
Juridisch kader
2. Artikel 4.20 van de APV luidt als volgt:
"1. Het is degene die er zijn beroep dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, herstellen, slopen, verhuren, verhandelen of te gebruiken voor het geven van rijlessen verboden:
a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren in elkaars nabijheid of […]."
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft vastgesteld dat het voor partijen voldoende duidelijk is en was wat er in artikel 4.20, eerste lid, onder a, van de APV wordt bedoeld. Op de zitting heeft de vennootschap bevestigd dat niet ter discussie staat dat op grond van de waarnemingen van de toezichthouders, zoals opgenomen in het dossier - waarop te zien is dat er drie of meer voertuigen die de vennootschap toebehoren op verschillende momenten naast elkaar of dicht bij elkaar zijn gestald - kan worden vastgesteld dat er sprake is van een overtreding. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit deze waarnemingen kan worden afgeleid dat artikel 4.20, eerste lid, onder a, van de APV is overtreden. Dat de bepaling van artikel 4.20, eerste lid, onder a, van de APV duidelijker zou zijn als daarin een harde norm was opgenomen, leidt niet tot het oordeel dat de aan de vennootschap opgelegde last onder dwangsom onrechtmatig moet worden geacht, aldus de rechtbank.
4. Volgens de rechtbank heeft de vennootschap haar standpunt dat de norm ‘in elkaars nabijheid’ leidt tot willekeur en dat er verschillende normen door het college worden gehanteerd, niet nader onderbouwd, waardoor haar standpunt niet aannemelijk is geworden.
5. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college de vennootschap terecht als overtreder heeft aangemerkt. Het handelen van de huurders lag in de machtssfeer van de vennootschap. Als de huurders verantwoordelijk waren voor het in strijd met artikel 4.20, eerste lid, onder a van de APV parkeren van de voertuigen, is de vennootschap tekortgeschoten in wat van haar verwacht kon worden om het onjuist stallen van de voertuigen te voorkomen. Het is aan de vennootschap om ervoor te zorgen dat de instructies aan de verhuurders over het juist parkeren ook worden nageleefd. Daarmee is de vennootschap in staat om de overtreding te beëindigen en dus om de last uit te voeren, aldus de rechtbank.
6. De rechtbank heeft vastgesteld dat het college zich in het besluit van 22 oktober 2020 op het standpunt heeft gesteld dat het handhavend optreedt om te voorkomen dat autobedrijven de weg structureel gebruiken als stallingsruimte voor hun voertuigen. Dit strookt met de toelichting bij artikel 4.20 van de APV. Ook heeft het college toegelicht dat er wordt gehandhaafd in het kader van het aanzien, de sociale veiligheid en de leefbaarheid van de stad. De last onder dwangsom is daarmee voldoende gemotiveerd, aldus de rechtbank.
Gronden en beoordeling hoger beroep
7. De vennootschap betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de open norm ‘in elkaars nabijheid’ leidt tot willekeur en strijdig is met het rechtszekerheidsbeginsel. Een nadere uitwerking van de norm ‘in elkaars nabijheid’ is voor het eerst opgenomen in het besluit waarbij de last onder dwangsom is opgelegd. De vennootschap heeft het college op 9 januari 2020 verzocht om een toelichting op de invulling van de norm ‘in elkaars nabijheid’. Het college heeft op 10 januari 2020 toegezegd om terug te komen op de vragen van de vennootschap hierover, maar heeft dit ten onrechte nagelaten. Waar geen norm wordt gesteld, kan deze ook niet worden overtreden. Artikel 4.20 van de APV is daarom onrechtmatig en moet buiten toepassing worden gelaten, aldus de vennootschap.
8. De Afdeling stelt vast dat het college niet voortvarend op de zienswijze van de vennootschap heeft gereageerd. Het college heeft bij besluit van 29 juni 2020 duidelijkheid verschaft over de invulling van het aantal meters van de norm ‘in elkaars nabijheid’, waardoor de vage norm uit artikel 4.20, eerste lid, onder a, van de APV concreet is geworden. Dit leidt tot het oordeel dat het besluit van 29 juni 2020 voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat de vragen die naar voren zijn gebracht bij de zienswijze, niet in de overwegingen van het besluit van 29 juni 2020 zijn betrokken. Verder heeft het college in zijn brief van 7 januari 2020 voldoende gemotiveerd waarom het het voornemen had om de last onder dwangsom op te leggen en hoe de overtreding kon worden beëindigd. Ten tijde van de oplegging van de last onder dwangsom was het voor de vennootschap duidelijk dat zij in strijd handelde met het bepaalde in artikel 4.20, eerste lid, onder a, van de APV. De vennootschap heeft op de zitting desgevraagd te kennen gegeven dat zij erkent dat op 30 december 2019 in elk geval drie van haar auto’s direct naast elkaar stonden geparkeerd. Dat artikel 4.20, eerste lid, onder a, van de APV duidelijker zou zijn als hierin een harde norm is opgenomen, zoals de vennootschap heeft aangevoerd, laat onverlet dat de bepaling in dit geval is overtreden. Het principiële betoog over het niet concretiseren van de afstandsnorm kan in dit geval niet het doel dienen wat de vennootschap beoogt, omdat tussen partijen niet in het geding is dat de norm als zodanig is overtreden. De Afdeling komt daarom niet toe aan de exceptieve toetsing van artikel 4.20 van de APV aan het rechtszekerheidsbeginsel. Het betoog slaag niet.
9. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de vennootschap niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bepaalde in artikel 4.20, eerste lid, onder a, van de APV leidt tot willekeur. Ook dit betoog slaagt niet.
10. De vennootschap betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vennootschap kan worden aangemerkt als overtreder van artikel 4.20, eerste lid, onder a, van de APV. De vennootschap stelt zich op het standpunt dat zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de overtredingen, omdat de voertuigen meestal door de huurders van de voertuigen worden geparkeerd. De vennootschap heeft de huurders altijd geïnstrueerd om rekening te houden met de regels. Daarom kan zij zich niet verenigen met het gemak waarmee de rechtbank alle verantwoordelijkheid bij haar neerlegt.
11. Ingevolge artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder overtreder verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is een overtreder in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht. Voor de beantwoording van de vraag of een ander dan degene die de verboden handeling fysiek verricht als functionele pleger van de overtreding kan worden aangemerkt, heeft de Afdeling aansluiting gezocht bij de criteria van de Hoge Raad voor de toerekening van verboden gedragingen aan rechtspersonen, waarbij van belang is of een gedraging heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon.
Conclusie
15. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
16. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.C.P. Venema, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.
w.g. Venema
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dijkshoorn
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2024
735-1101