Rechtspraak
Raad van State
2024-05-03
ECLI:NL:RVS:2024:1888
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
671 tokens
Inleiding
202402270/1/V2 en 202402270/3/V2.
Datum uitspraak: 3 mei 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 april 2024 in zaak nr. NL24.7231 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 20 februari 2024 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 4 april 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. K. Mohasselzadeh, advocaat te Voorburg, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat het in deze procedure beoordelen van het door de vreemdeling in beroep ingebrachte asielmotief niet mogelijk is zonder dat dit ontoelaatbare vertraging voor de afdoening van de zaak tot gevolg heeft en dat de vreemdeling een nieuwe aanvraag kan indienen waarin zijn gestelde seksuele geaardheid zal moeten worden beoordeeld in relatie tot het in deze procedure gegeven asielrelaas. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2073, onder 9.5 tot en met 9.6.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
w.g. Willems
voorzieningenrechter
w.g. Graat
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2024
984