Rechtspraak
Raad van State
2024-05-08
ECLI:NL:RVS:2024:1876
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
696 tokens
Inleiding
BRS.24.000139
ECLI:NL:RVS:2024:1876
Datum uitspraak: 8 mei 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling]
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 8 april 2024 in zaak nr. NL24.12536 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Procesverloop
Bij besluit van 21 maart 2024 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 8 april 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. van Bennekom, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen, voor zover gericht tegen de uitspraak van de rechtbank over het niet vergoeden van de proceskosten in het door de vreemdeling ingestelde en ingetrokken beroep tegen de ophouding, bedoeld in het in hoofdstuk 4 van de Vw 2000 opgenomen artikel 50. Tegen zo’n uitspraak kan namelijk geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000). Dat onder de uitspraak ten onrechte staat dat wel hoger beroep kan worden ingesteld, verandert dat niet.
2. Het hoger beroep leidt voor het overige niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Omdat de staatssecretaris in beroep heeft erkend dat de bewaring vanaf het begin onrechtmatig is geweest, de bewaring daarom heeft opgeheven en schadevergoeding heeft aangeboden, bestaat voor ambtshalve toetsing geen aanleiding. Het hoger beroep is voor het overige ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank over het niet vergoeden van de proceskosten in het beroep tegen de ophouding;
II. bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2024
347