Rechtspraak
Raad van State
2024-04-19
ECLI:NL:RVS:2024:1655
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
877 tokens
Inleiding
202401507/2/V2.
Datum uitspraak: 19 april 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verzoeker,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 februari 2024 in zaak nr. NL24.2985 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 26 januari 2024 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij mondelinge uitspraak van 29 februari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De staatssecretaris verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Het treffen van de voorlopige voorziening in hoger beroep heeft daardoor niet tot gevolg dat de overdrachtstermijn wordt opgeschort met ingang van de dag na bekendmaking van deze uitspraak (uitspraken van de Afdeling van 22 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4198 en ECLI:NL:RVS:2023:4199).
3. Uit de stukken die de voorzieningenrechter op dit moment heeft, volgt dat de overdrachtstermijn op 14 april 2024 is verstreken. Nu niet is gebleken dat de vreemdeling is overgedragen, gaat de voorzieningenrechter er dus van uit dat Nederland verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van het asielverzoek van de vreemdeling. De door de rechtbank in de uitspraak gestelde termijn van zes weken waarbinnen de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen in het kader van de overdracht van de vreemdeling, is daarom op dit moment niet meer relevant. Om die reden en omdat de staatssecretaris geen andere spoedeisende omstandigheden heeft gesteld, is er op dit moment geen spoedeisend belang dat het treffen van de verzochte voorziening rechtvaardigt.
4. Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 875,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Trox, griffier.
w.g. Van Gastel
voorzieningenrechter
w.g. Trox
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2024
968