Rechtspraak
Raad van State
2023-03-02
ECLI:NL:RVS:2023:862
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
618 tokens
Inleiding
202207232/1/V3.
Datum uitspraak: 2 maart 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 13 december 2022 in zaak nr. NL22.20013 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 2 oktober 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 13 december 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.W. Eikelboom, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De vreemdeling is één van de zes reisgenoten die zijn genoemd in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2023:789. De staatssecretaris heeft in deze zaak in het hoger beroep hetzelfde aangevoerd als in het hoger beroep in die zaak. De overwegingen van de uitspraak in die zaak gelden daarom ook in deze zaak. De grieven falen.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de zaak van de vreemdeling en de zaken nrs. 202207234/1/V3 en 202207240/1/V3 samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn, zodat zij bij de vaststelling van de proceskosten is uitgegaan van één zaak.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 837,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Verburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2023
347-962