Rechtspraak
Raad van State
2023-03-01
ECLI:NL:RVS:2023:814
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,860 tokens
Inleiding
202003437/3/R2.
Datum uitspraak: 1 maart 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant] en anderen, allen wonend te Valkenswaard,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Valkenswaard,
verweerder.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 16 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:491, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 24 weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin geconstateerde gebreken in het besluit van 30 april 2020 te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 21 juli 2022 het bestemmingsplan "Kerkeind" opnieuw vastgesteld.
[appellant] en anderen en hebben een zienswijze ingediend tegen dit besluit.
Van Keersop Projectontwikkeling B.V. (hierna: Van Keersop) heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De raad heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 16 februari 2022 drie gebreken in het besluit van 30 april 2020 vastgesteld. In de eerste plaats is onder 8.1 vastgesteld dat de raad de door [appellant] en anderen aangedragen alternatieven ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. Met de enkele stelling dat deze alternatieven voor de initiatiefnemer onaanvaardbaar waren, had de raad geen eigen mening gevormd ten aanzien van de alternatieven die door de omwonenden naar voren zijn gebracht.
In de tweede plaats is onder 9.2 vastgesteld dat de raad onvoldoende heeft gereageerd op de door [appellant] en anderen geschetste verkeersproblematiek. Het is niet gebleken wat de huidige verkeersintensiteit is, waardoor niet duidelijk is of de toename van verkeersbewegingen die het gevolg is van het bestemmingsplan aanvaardbaar is. Ook is geen duidelijkheid verkregen of kerende auto’s een nadelige invloed kunnen hebben op de verkeersveiligheid. De Afdeling heeft daarbij in aanmerking genomen dat onvoldoende duidelijk is of ter plaatse kan en zal worden voorzien in een keerlus.
In de derde plaats is onder 10.2 vastgesteld dat de raad onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat er bij de berekening van de parkeerbehoefte rekening is gehouden met aan-huis-verbonden beroepen.
2. In de tussenuitspraak van 16 februari 2022 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 24 weken na verzending van deze uitspraak het besluit van 30 april 2020 te herstellen met inachtneming van de omschreven gebreken in overwegingen 8.1, 9.2 en 10.2.
3. Ter uitvoering van de tussenuitspraak van de Afdeling heeft de raad het plan bij besluit van 21 juli 2022 opnieuw vastgesteld. In dat besluit is de toelichting bij het plan aangepast ten opzichte van de toelichting bij het vorige plan. [appellant] en anderen hebben naar aanleiding van het herstelbesluit een zienswijze ingediend.
Het beroep van rechtswege
4. Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt:
"Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben."
5. Het besluit van 21 juli 2022 is een besluit ter vervanging van het besluit van 30 april 2020 en is op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb onderdeel van dit geding.
Alternatieven
6. [appellant] en anderen betogen dat de raad opnieuw tekort is geschoten in het op een inzichtelijke (en eerlijke) manier beoordelen van het door hen aangedragen alternatief. Dit alternatief is opnieuw eenzijdig beoordeeld en ambtelijk als niet-haalbaar afgedaan, waarbij omwonenden niet zijn geraadpleegd of betrokken en waarbij omwonenden niet de kans hebben gekregen om hun alternatief toe te lichten. Daardoor zijn de belangen van omwonenden nog steeds niet (kenbaar) in de belangenafweging meegenomen. De motivering, neergelegd in de plantoelichting, op grond waarvan de raad niet heeft gekozen voor het alternatief, bevat een aantal feitelijke onjuistheden. De percentages waar naar wordt verwezen in de plantoelichting zijn nooit eerder genoemd en zijn niet inzichtelijk. Bovendien heeft de raad volgens [appellant] en anderen relevante informatie over toezeggingen vanuit de gemeente aan de grondeigenaren te laat beschikbaar gesteld, waardoor zij er niet van op de hoogte waren dat de ontwikkeling ook moest plaatsvinden op Bergstraat 54.
6.1. Het door de omwonenden voorgestelde alternatief houdt in dat het oostelijke bouwvlak in het plangebied komt te vervallen en dat het westelijke bouwvlak wordt verkleind aan de oostelijke zijde. Omwonenden hebben daarmee geprobeerd te bereiken dat de ontwikkeling niet zou plaatsvinden op de gronden achter hun woningen.
6.2. Zoals in de tussenuitspraak reeds is overwogen moet de raad bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen.
6.3. In de plantoelichting is het volgende vermeld:
"Tijdens de bestemmingsplanprocedure is door omwonenden een alternatieve inrichting van het plangebied aangedragen. In het bestemmingsplan ‘Kerkeind’ worden de woningen georiënteerd op een nieuw "hof". Deze nieuwe openbare ruimte vormt een ruimtelijke beëindiging van de hoek van het Kerkeind. Deze beëindiging is zichtbaar zowel vanaf de toegang van de Kerkakkerstraat als vanaf Het Laar. De inrichting van deze openbare ruimte sluit aan op de bestaande vormgeving van de openbare ruimte. In het aangedragen alternatief door de omwonenden is de openbare ruimte met een minimale maat vormgegeven. De woningen zijn gericht op de openbare parkeerplaatsen aan de overzijde en er wordt een doodlopende stoep aangebracht. Er is sprake van onvoldoende ruimtelijke kwaliteit van de openbare ruimte. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is dit alternatief daarom niet wenselijk. Daarnaast is bij ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening een algemeen uitgangspunt dat 60/65% van de gronden uitgeefbaar is en 40/35% van de gronden een openbare functie (openbare wegen in ruime zin, groen en voorzieningen zoals speelgelegenheden) krijgt. In het aangedragen alternatief is slechts circa 30% van de gronden uitgeefbaar. Het plan is dan, gelet op bovenstaand algemeen uitgangspunt, economisch niet uitvoerbaar. Daarbij komt dat in bestaand stedelijk gebied de planologische ruimte er niet is, zeker nu de feitelijke situatie daar ook geen aanleiding voor geeft, om te kiezen voor een dergelijk laag uitgiftepercentage."
6.4. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad met het vorenstaande afdoende toegelicht waarom de raad niet heeft gekozen voor het door [appellant] en anderen voorgestelde alternatief. In het alternatief heeft de voorgestelde inrichting van de openbare ruimte onvoldoende ruimtelijke kwaliteit en het ontbreken van het oostelijke bouwvlak heeft als gevolg dat het plan economisch niet uitvoerbaar is. De raad heeft zich bovendien op het standpunt mogen stellen dat het gekozen alternatief de voorkeur heeft boven het door [appellant] en anderen gekozen alternatief, omdat de inrichting van de openbare ruimte aansluit op de bestaande vormgeving van de openbare ruimte. De raad heeft aldus in de plantoelichting alsnog een eigen mening gevormd en blijk gegeven van een inzichtelijke afweging over de voor- en nadelen van het alternatief van de omwonenden.
6.5. In het betoog van [appellant] en anderen ziet de Afdeling geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. Dat de door de raad gemaakte belangenafweging niet inzichtelijk is, of onvolledig is, of is gebaseerd op onvolledige of onjuiste informatie, zoals door [appellant] en anderen is aangevoerd, is niet gebleken. Er gold hier geen verplichting voor de raad om de omwonenden actief te betrekken bij de te maken afweging tussen de voor- en nadelen van het naar voren gebrachte alternatief of dat zij over hun alternatief zouden worden geraadpleegd. Evenmin is gebleken dat de raad geen eigenstandige afweging heeft gemaakt.
Voor zover [appellant] en anderen hebben betoogd dat de herontwikkeling van de woonboerderij op het perceel Bergstraat 58 geen reden kan zijn waarom de gekozen inrichting van het plangebied de voorkeur heeft boven het alternatief dat door de omwonenden is aangedragen, kan de Afdeling dit betoog niet volgen. De raad heeft niet verwezen naar deze ontwikkeling bij het afwijzen van het alternatief van de omwonenden.
Het betoog slaagt niet.
Verkeer
7. [appellant] en anderen betogen dat de nadere toelichting van de raad over de verwachte verkeersdrukte ongefundeerde aannames bevat. Volgens [appellant] en anderen is het duidelijk dat de woningen waar het plan in voorziet zullen leiden tot extra druk op de kruising in het Kerkeind. Zonder keerlus kan het verkeer alleen maar midden op dit kruispunt draaien, wat volgens [appellant] en anderen onveilig is.
Conclusie
9. Gelet op het voorgaande heeft de raad de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken hersteld in het besluit van 21 juli 2022.
10. Uit wat in de tussenuitspraak is overwogen, volgt dat het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van 30 april 2020 gegrond is. Dat besluit moet dus worden vernietigd. Uit de hiervoor weergegeven bespreking van de zienswijze volgt dat dat het beroep van rechtswege tegen het besluit van 21 juli 2022 ongegrond is.
11. De raad moet de proceskosten van [appellant] en anderen in beroep vergoeden. Hoewel daarom verzocht, bestaat er geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenveroordeling voor het verzoek om voorlopige voorziening, omdat de Afdeling dit verzoek in de uitspraak van 16 december 2020 heeft afgewezen.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van 30 april 2020 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kerkeind" gegrond;
II. vernietigt het besluit van 30 april 2020 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kerkeind";
III. verklaart het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van 21 juli 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kerkeind" ongegrond;
IV. veroordeelt de raad van de gemeente Valkenswaard tot vergoeding van bij [appellant] en anderen, in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 890,38, waarvan € 837,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
V. gelast dat de raad van de gemeente Valkenswaard aan [appellant] en anderen, het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedragen van € 178,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. H.C.P. Venema, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, griffier.
w.g. Venema
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2023
680-980