Rechtspraak
Raad van State
2023-12-27
ECLI:NL:RVS:2023:4826
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
732 tokens
Inleiding
202306978/1/V3 en 202306978/2/V3.
Datum uitspraak: 27 december 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 8 november 2023 in zaak nr. NL23.33714 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 24 oktober 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 8 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.R.L.V.M. Kruik, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Voor zover de vreemdeling, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 1 mei 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:6208, in grief 2 betoogt dat de staatssecretaris voorafgaand aan de bewaring een uittreksel uit de Justitiële Documentatie had moeten opvragen en toestemming van het OM had moeten vragen, verwijst de Afdeling naar haar uitspraken van 7 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3025, en van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4219, onder 3. In die laatste uitspraak is op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 mei 2023 beslist. Daarbij is die uitspraak van de rechtbank vernietigd. Daaruit volgt dat dit betoog faalt.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Soffers
voorzieningenrechter
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2023
18-1041