Rechtspraak
Raad van State
2023-10-20
ECLI:NL:RVS:2023:3887
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
762 tokens
Inleiding
202203966/1/V3.
Datum uitspraak: 20 oktober 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 3 juni 2022 in zaak nr. NL21.20096 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 3 mei 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 1 december 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 juni 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.M. Walther, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:379, onder 2.3, klaagt de vreemdeling in zijn tweede grief over het oordeel van de rechtbank dat het in beroep overgelegde ondertekende vennootschapscontract buiten beschouwing wordt gelaten. Deze klacht is terecht voorgedragen. Dit stuk gaat namelijk over een feit dat zich al voordeed voorafgaand aan het nemen van het besluit van 1 december 2021. In dat geval ontstaat geen strijd met het vereiste dat de rechtbank toetst naar de feiten zoals die zich voordeden ten tijde van het besluit op bezwaar. Deze grief leidt echter niet tot vernietiging van de uitspraak. De vreemdeling heeft het oordeel van de rechtbank over dat stuk, dat uit de inhoud daarvan niet blijkt wat de onderlinge verhoudingen tussen de vennoten zijn en welke werkzaamheden zij ieder verrichten, niet met concrete argumenten bestreden. De grief faalt.
2. Wat de vreemdeling in de overige grieven heeft aangevoerd, leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.
w.g. Steendijk
voorzitter
w.g. Schippers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2023
347-1017