Rechtspraak
Raad van State
2023-10-10
ECLI:NL:RVS:2023:3725
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
907 tokens
Inleiding
202201873/1/V3.
Datum uitspraak: 10 oktober 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 8 maart 2022 in zaak nr. NL21.9912 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 22 juni 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Ook heeft hij geweigerd de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 8 maart 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E. Maalsen, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke inlichtingen gegeven. De vreemdeling heeft daarop gereageerd.
Overwegingen
1. In de vierde grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank niet is ingegaan op wat zij heeft aangevoerd over het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 30 november 2021, waaruit volgens haar volgt dat sprake is van een objectieve belemmering om het recht op gezins- en familieleven in Iran uit te oefenen. Dat recht wordt beschermd door artikel 8 van het EVRM.
2. De grief kan nergens toe leiden. De Afdeling legt dat hieronder uit.
2.1. De staatssecretaris heeft de Afdeling desgevraagd medegedeeld dat hij de vreemdeling bij besluit van 2 februari 2022 in het bezit heeft gesteld van een verblijfsdocument EU/EER op grond van het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354. De vreemdeling heeft dus inmiddels rechtmatig verblijf in Nederland. Daarom hoeft zij niet terug te keren naar Iran en kan zij in Nederland ongehinderd het recht op gezins- en familieleven uitoefenen. Bovendien strekt artikel 8 van het EVRM niet zover dat het recht geeft op een bepaald type verblijfsvergunning.
De Afdeling komt daarom niet toe aan het beantwoorden van de vraag of sprake is van een objectieve belemmering het recht op gezins- en familieleven in Iran uit te oefenen. Dat volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 17 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1060, onder 4.2, en de arresten van het EHRM waar de Afdeling in die uitspraak naar verwijst.
3. Het hoger beroep leidt ook voor het overige niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.P.G. van Bekhoven, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Van Bekhoven
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2023
959