Rechtspraak
Raad van State
2023-09-05
ECLI:NL:RVS:2023:3408
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,021 tokens
Inleiding
202305378/1/V3.Datum uitspraak: 5 september 2023
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 15 augustus 2023 in zaak nr. NL23.21740 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 27 juli 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 15 augustus 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P. Scholtes, advocaat te Delft, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdeling is in bewaring gesteld krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 (geen rechtmatig verblijf). In zijn eerste grief klaagt de vreemdeling terecht over het oordeel van de rechtbank dat dit de juiste grondslag voor de bewaring is. Op 24 juli 2023 heeft de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aangevraagd. Daarmee heeft hij rechtmatig verblijf verkregen (artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000, samen gelezen met artikel 3.1, eerste lid, van het Vb 2000). Niet is gebleken dat de aanvraag van de vreemdeling naar het voorlopig oordeel van de staatssecretaris een herhaalde aanvraag betreft of dat die aanvraag kan worden afgewezen op de grond dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid (artikel 3.1, eerste lid, van het Vb 2000). Anders dan de staatssecretaris heeft betoogd, maakt het feit dat tegen de vreemdeling een zwaar inreisverbod is uitgevaardigd niet dat hij geen rechtmatig verblijf heeft verkregen door het indienen van die aanvraag. De vreemdeling heeft het grondgebied van de lidstaten van de EU namelijk niet verlaten sinds de uitvaardiging van het inreisverbod. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 5 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3998, onder 6.1 tot en met 6.4.
De grief slaagt.
2. Omdat de bewaring vanaf het begin onrechtmatig is, bestaat voor ambtshalve toetsing geen aanleiding. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond. De maatregel van bewaring wordt opgeheven met ingang van vandaag. Ook heeft de vreemdeling recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan de vreemdeling toegekend. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 15 augustus 2023 in zaak nr. NL23.21740;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. bepaalt dat de maatregel van bewaring met ingang van vandaag wordt opgeheven;
V. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 4.100,00 over de periode van 27 juli 2023 tot en met 5 september 2023, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
VI. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.511,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Schippersgriffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2023
873-1020