Rechtspraak
Raad van State
2023-07-13
ECLI:NL:RVS:2023:2649
Bestuursrecht, Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
2,898 tokens
Inleiding
202302593/2/R3.
Datum uitspraak: 13 juli 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna de Awb), hangende het hoger beroep van:
[verzoekster], wonend te Noordwijk
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 maart 2023 in zaken nrs. 19/7134, 21/998 en 21/2020 in de gedingen tussen:
[verzoekster]
en
het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk.
Procesverloop
Eerste aanvraag
Bij besluit van 20 december 2018 heeft het college geweigerd om aan [verzoekster] een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een tweelaagse aanbouw aan de zijkant van de woning op het perceel [locatie] te Noordwijk (hierna: het perceel) en het bouwen van een vrijstaande berging in de achtertuin van die woning.
Bij besluit van 1 oktober 2019 heeft het college het daartegen door [verzoekster] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tweede aanvraag
Bij besluit van 24 juni 2020 heeft het college geweigerd om aan [verzoekster] een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een eenlaagse aanbouw aan de zijkant van de woning op het perceel en het bouwen van een berging in de achtertuin van die woning.
Bij besluit van 18 februari 2021 heeft het college het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Handhaving
Bij besluit van 2 juni 2020 heeft het college onder oplegging van een dwangsom [verzoekster] gelast om de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) ongedaan te maken door de bebouwing in het achtererf terug te brengen en te houden tot 60 m².
Bij besluit van 21 januari 2021 heeft het college het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Beroep en hoger beroep
Bij uitspraak van 10 maart 2023 heeft de rechtbank de door [verzoekster] ingestelde beroepen tegen de besluiten van 1 oktober 2019 en 18 februari 2021 ongegrond verklaard. Bij dezelfde uitspraak heeft zij het beroep van [verzoekster] tegen het besluit van 21 januari 2021 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 juni 2023. [verzoekster], bijgestaan door mr. F.P. van Galen, advocaat te Leiden, en het college, vertegenwoordigd door mr. T.J. de Geer, hebben via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Het onderzoek ter zitting is geschorst.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek opnieuw ter zitting behandeld op 6 juli 2023, waar [verzoekster], vergezeld van [gemachtigde] en bijgestaan door mr. F.P. van Galen, advocaat te Leiden, en het college, vertegenwoordigd door mr. T.J. de Geer, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Relevante regelgeving
2. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel is van deze uitspraak.
Inleiding
3. [verzoekster] is eigenaar van het perceel. Op het perceel staat een woning met aan de achterkant een aangebouwde veranda en was aan de zijkant van de woning een aangebouwde, eenlaagse garage (hierna: de zijaanbouw) aanwezig.
3.1. [verzoekster] wilde in 2018 haar woning uitbreiden door de zijaanbouw te vergroten en te verhogen met een extra bouwlaag. Ook wilde zij een berging in haar achtertuin bouwen. Zij heeft hiervoor een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend. Het college heeft geweigerd de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.
Hangende de procedure over deze aanvraag heeft [verzoekster] de zijaanbouw vergroot (maar geen tweede bouwlaag aangebracht) en de berging in de achtertuin gebouwd. Zij heeft in 2020 een aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning ingediend ter legalisering van wat zij heeft gebouwd. Het college heeft ook geweigerd om deze omgevingsvergunning te verlenen.
Volgens het college is de oppervlakte van de bebouwing in het achtererfgebied groter dan wat ingevolge artikel 18.2.3, aanhef en onder h, van de regels van het bestemmingsplan "Noordwijk Binnen" is toegestaan en is voor die bebouwing geen omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo verleend. Het heeft daarom een last onder dwangsom opgelegd.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat het in hoger beroep alleen nog gaat om de afwijzing van de tweede aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning en om de opgelegde last onder dwangsom.
Het verzoek
5. [verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht de opgelegde last onder dwangsom van 2 juni 2020 en het besluit op het daartegen gemaakte bezwaar van 21 januari 2021 te schorsen tot zes, althans vier maanden nadat op het hoger beroep is beslist. Zij heeft erop gewezen dat het voldoen aan de last betekent dat zij moet overgaan tot het afbreken van (een deel van) de bebouwing, wat tot onomkeerbare gevolgen leidt. Dit kan volgens haar niet van haar worden gevergd. Zij wijst er in dit verband op dat nog steeds niet duidelijk is wat de oppervlakte is van de bebouwing in het achtererfgebied en zij dus niet weet hoe zij aan de last kan voldoen. Zij wijst daarnaast op de nog lopende procedure over de aanvraag om een omgevingsvergunning ter legalisering van berging en de zijaanbouw.
Spoedeisendheid
6. Indien het verzoek wordt afgewezen, moet [verzoekster] aan de last onder dwangsom voldoen, en dus een deel van de bebouwing in het achtererfgebied afbreken, en verbeurt zij een dwangsom van € 2.000,00 per constatering met een maximum van € 8.000,00 als zij dat niet doet. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven.
Beoordeling
7. In de procedure over de aanvraag om de verlening van een omgevingsvergunning speelt onder meer de vraag wat de verhouding is tussen artikel 2.9 van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) en artikel 2.3 van de regels van het bestemmingsplan. De rechtbank heeft daarover in de aangevallen uitspraak overwogen dat artikel 2.3 van de planregels buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met artikel 2.9 van het Bor. De voorzieningenrechter vraagt zich echter af of de door de rechtbank genoemde uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:162, in deze zaak tot die conclusie moet leiden.
In de genoemde procedure is ook de vraag aan de orde wat de betekenis is van artikel 2.3 van de planregels - als dat artikel niet buiten toepassing moet worden gelaten - voor de toepassing van artikel 18.2.3, aanhef en onder h, van de planregels. Volgens [verzoekster] moet artikel 2.3 betrokken worden bij de toepassing van dat artikel en leidt dit tot de conclusie dat het bouwen van de zijaanbouw en de berging niet in strijd is met het bestemmingsplan.
8. Deze, in de procedure over de omgevingsvergunning opgeworpen vragen zijn ook relevant voor de procedure over de opgelegde last onder dwangsom, in het bijzonder voor de vraag of er sprake is van een overtreding dan wel concreet zicht op legalisering. Indien [verzoekster] zou worden gevolgd in haar uitleg van de artikelen 2.3 en 18.2.3, aanhef en onder h, van de planregels, zou dat kunnen betekenen dat het bouwen van de zijaanbouw en de berging niet in strijd is met het bestemmingsplan en dus dat voor (een deel van) de bebouwing alleen een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo nodig is.
De opgeworpen vragen lenen zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voor beantwoording in deze procedure. De voorzieningenrechter zal daarom met een belangenafweging bepalen of vooruitlopend op de beoordeling in de bodemprocedure een voorlopige voorziening moet worden getroffen.
9. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat de belangen van het college bij het voldoen aan de last zodanig dringend zijn dat de uitspraak op het hoger beroep niet kan worden afgewacht. Omdat [verzoekster] er daarentegen belang bij heeft om gedurende die periode (een deel van) de bebouwing niet te hoeven afbreken en in aanmerking genomen dat niet is gebleken van klachten van omwonenden, ziet de voorzieningenrechter bij afweging van de aan de orde zijnde belangen aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat hij op grond van artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb geen voorziening kan treffen die voortduurt tot na de uitspraak in de bodemprocedure, zoals door [verzoekster] gevraagd. De voorzieningenrechter wijst in dit verband nog wel op artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb dat de bodemrechter de mogelijkheid biedt om zo nodig een voorlopige voorziening te treffen op grond waarvan [verzoekster] na de uitspraak in de bodemprocedure tijd krijgt om alsnog aan de last te voldoen.
10. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk van 2 juni 2020, kenmerk D2020-058918, en 21 januari 2021, kenmerk D2020-219010;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.092,50 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 274,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.
w.g. Hoekstra
voorzieningenrechter
w.g. Pieters
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2023
473
BIJLAGE
Besluit omgevingsrecht
Artikel 2.9
Bij de vaststelling of het bouwen van een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II in achtererfgebied als bedoeld in dat artikellid al dan niet in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening, worden reeds aanwezige bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied, bedoeld in dat artikellid, in mindering gebracht op het door het bestemmingsplan of de beheersverordening toegestane maximum van die bouwwerken.
Bestemmingsplan "Noordwijk Binnen"
Artikel 2.3 Totale oppervlakte bijbehorende bouwwerken
het totaal aan oppervlakte van bijbehorende bouwwerken exclusief de oppervlakte van vergunningsvrije bouwwerken zoals bedoeld in Bijlage II, artikel 2 Besluit omgevingsrecht.
Artikel 18.2.3 Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:
[…];
h. het bij het oorspronkelijk hoofdgebouw behorende achtererfgebied mag als gevolg van alle bijbehorende bouwwerken voor niet meer dan 50% worden bebouwd, met dien verstande dat:
[…];
2. de oppervlakte van alle bijbehorende bouwwerken bij (half)vrijstaande woningen mag niet meer bedragen dan 60m².