Rechtspraak
Raad van State
2023-06-27
ECLI:NL:RVS:2023:2538
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
728 tokens
=== VOLLEDIG ===
202204138/1/R2.
Datum uitspraak: 27 juni 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Hilvarenbeek,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 31 mei 2022 in zaak nr. 21/2536 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek.
Openbare zitting gehouden op 27 juni 2023 om 09:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer
griffier: mr. M. Scheele
jurist: mr. E.J. Oude Nijhuis
Verschenen:
[gemachtigde], namens [appellante];
het college, vertegenwoordigd door J. Gielen.
Bij besluit van 27 oktober 2020 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd waarin het college [appellante] opdraagt om het illegaal gebouwde tuinhuis, gelegen op door [appellante] gehuurde gemeentegrond, te verwijderen en verwijderd te houden.
Bij besluit van 11 mei 2021 heeft het college het door [appellante] ingestelde bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 31 mei 2022 heeft de rechtbank het door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Het hoger beroep richt zich tegen deze uitspraak.
De Afdeling
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Redenen voor dit oordeel:
In hoger beroep heeft [appellante] aangevoerd dat na de gemeenteraadsverkiezingen van 2022 en de vorming van een nieuw college van burgemeester en wethouders een andere visie kan ontstaan over de verkoop van het stuk grond waar het tuinhuis op is gebouwd en de bestemming hiervan. Volgens haar kan daardoor concreet zicht op legalisatie ontstaan, zodat handhavend optreden niet aan de orde is.
De Afdeling stelt voorop dat het tuinhuis in strijd met het bestemmingsplan en de huurovereenkomst is gebouwd en dat die strijd ook niet wordt ontkend. Daarmee was het college bevoegd handhavend op te treden.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat op het tijdstip dat het besluit op bezwaar is genomen (11 mei 2021) geen concreet zicht op legalisatie bestond. Dat is ook het moment dat moet worden beoordeeld of er concreet zicht op legalisatie bestaat. Dat op een later moment wijzigingen in het bestuur de mogelijkheid opent om in de toekomst een andere visie te ontwikkelen over de bestemming van het stuk grond waarop het tuinhuis is gebouwd, betekent niet dat de rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat er geen concreet zicht op legalisatie bestaat. En ook overigens is op de zitting niet gebleken dat er zicht op legalisatie is, omdat het nieuwe college daaraan geen medewerking wil verlenen.
Het hoger beroep is ongegrond.
Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Scheele
griffier
723-1045