Rechtspraak
Raad van State
2022-11-15
ECLI:NL:RVS:2022:3280
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
865 tokens
Inleiding
202104608/1/V2.
Datum uitspraak: 15 november 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 13 juli 2021 in zaak nr. NL21.6108 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 16 april 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 13 juli 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.M.J. van Zantvoort, advocaat te 's-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdeling komt uit Iran en heeft aan haar asielaanvraag onder meer ten grondslag gelegd dat zij is bekeerd tot het christendom. De rechtbank heeft het besluit vernietigd, omdat de staatssecretaris de door de vreemdeling aangekondigde rapporten van de PKN en Stichting Gave ten onrechte niet had afgewacht en het besluit daarom onzorgvuldig had voorbereid. Ook heeft de rechtbank de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen en de twee rapporten daarbij te betrekken.
2. De vreemdeling klaagt in haar eerste grief terecht dat de rechtbank vervolgens ten onrechte alle beroepsgronden heeft besproken. De rechtbank is daarbij de staatssecretaris bijvoorbeeld gevolgd in zijn standpunt dat de vreemdeling ongeloofwaardig heeft verklaard over de motieven voor en het proces van bekering. Dit oordeel staat, zoals de vreemdeling terecht betoogt, in de weg aan de door de staatssecretaris nieuw te verrichten integrale beoordeling van de bekering. Bij zijn nieuw te nemen besluit moet de staatssecretaris de drie elementen van bekering (motieven voor en proces van bekering, kennis van het nieuwe geloof en de activiteiten), in overeenstemming met de uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:977), namelijk in onderlinge samenhang beoordelen. De drie elementen kunnen in theorie weliswaar van elkaar worden onderscheiden, maar in de praktijk niet volledig los van elkaar worden beoordeeld (uitspraak van de Afdeling van 28 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2713, onder 4.5).
3. Het hoger beroep is gegrond. Het is niet nodig wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd te bespreken. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Zwinkels
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2022
968