Rechtspraak
Raad van State
2021-10-13
ECLI:NL:RVS:2021:2271
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Hoger beroep
2,517 tokens
Inleiding
202005802/1/R4.
Datum uitspraak: 13 oktober 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Elspeet, gemeente Nunspeet,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 september 2020 in zaak nr. 19/6397 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet.
Procesverloop
Bij besluit van 1 oktober 2019 heeft het college aan het Gezondheidscentrum Elspeet B.V. een omgevingsvergunning verleend voor onder meer de bouw van een gezondheidscentrum aan de Nachtegaalweg 3 te Elspeet.
Bij uitspraak van 22 september 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het Gezondheidscentrum Elspeet B.V. heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 september 2021, waar [appellanten], bijgestaan door mr. M.J. Smaling, rechtsbijstandverlener, en mr. D. Peeters, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E. Bouma, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord het Gezondheidscentrum Elspeet B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. J.C. Hoogendoorn, advocaat te Amsterdam.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft een huisartsenpraktijk aan de [locatie A] te Elspeet en kan zich niet verenigen met de vergunningverlening voor een gezondheidscentrum, dat onder meer ruimte biedt aan een huisartsenpraktijk, aan de Nachtegaalweg 3 te Elspeet. Het gezondheidscentrum biedt overigens ook ruimte aan onder meer een tandartspraktijk en apotheek. De vergunning voor het gezondheidscentrum is verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
De afstand tussen de huisartsenpraktijk van [appellant] en het gezondheidscentrum waar de omgevingsvergunning voor is verleend, bedraagt meer dan 1 kilometer.
De rechtbank heeft zich gesteld gezien voor de vraag of het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) aan [appellant] dient te worden tegengeworpen, wat betreft zijn beroep op artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro). De rechtbank heeft geoordeeld dat het relativiteitsvereiste inderdaad dient te worden tegengeworpen aan [appellant] wat betreft dit betoog en ook voor de overige betogen die [appellant] heeft aangevoerd. Omdat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan de inhoudelijke beoordeling van het beroep, heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
[appellant] kan zich niet met de tegenwerping van het relativiteitsvereiste door de rechtbank verenigen.
Relativiteitsvereiste
2. Artikel 8:69a van de Awb luidt als volgt:
"De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."
3. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
Relativiteitsvereiste - artikel 3.1.6, tweede lid, Bro
4. [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat geen sprake is van relevante leegstand. [appellant] wijst erop dat een mogelijke aanzuiging van patiënten naar de huisartsenpraktijk aan de Nachtegaalweg 3 zou kunnen ontstaan, met leegstand van zijn pand aan de [locatie A] als gevolg. Ter zitting heeft [appellant] in dit kader gesteld dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de gevolgen van de vergunningverlening voor zijn bestaande huisartsenpraktijk. Ter zitting heeft [appellant] met name erop gewezen dat de rechtbank heeft miskend dat andersoortig gebruik van zijn huisartsenpraktijk moeilijk voorstelbaar is. Daarbij heeft [appellant] gesteld dat zich planologische belemmeringen voordoen voor andersoortig gebruik van zijn huisartsenpraktijk.
4.1. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro luidt als volgt:
"De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."
4.2. In artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht is het volgende bepaald: "Voor zover de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet zijn de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening van overeenkomstige toepassing."
4.3. In de overzichtsuitspraak over het relativiteitsvereiste van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706 is onder meer het volgende overwogen.
Voor zover de rechtsregel van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro in rechte wordt ingeroepen door een concurrent die bij het besluit belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Awb, omdat zijn onderneming werkzaam is in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied, geldt het volgende (uitspraken van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:283 (Enschede), 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4061 (Cuijk), 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724 (Dongeradeel), 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1097 (Schouwen-Duiveland), 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:732 (Blaloweg), 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3137 (Zundert), 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3106 (Oldebroek), 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2855 (Venlo), 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2065 (Megabioscoop Utrecht) en 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1585 (Thermen Berendonck)).
Als zodanige concurrent stelt dat het besluit strijdt met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, dienen daarbij feiten en omstandigheden naar voren te komen die het oordeel rechtvaardigen dat de voorziene ontwikkeling tot een uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening relevante leegstand zal kunnen leiden. In dat geval staat het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste niet aan inhoudelijke beoordeling van de gestelde strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro in de weg. In het kader van die beoordeling kan aan de orde komen of het bestreden besluit zodanige leegstandseffecten tot gevolg heeft dat dit tot een uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare situatie zal kunnen leiden. Daarbij betrekt de bestuursrechter het oordeel van het betrokken bestuursorgaan over de onaanvaardbaarheid van die leegstandseffecten.
Relevante leegstand als hiervoor bedoeld wordt niet reeds aangenomen als de voorziene ontwikkeling, die mogelijk wordt gemaakt door een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning, leidt of kan leiden tot een verminderde vraag naar producten of diensten en daardoor tot daling van omzet en inkomsten van de eigen onderneming of de desbetreffende vestiging. Het enkele feit dat de voorziene ontwikkeling kan leiden tot beëindiging van de eigen bedrijfsactiviteiten ter plaatse en daardoor tot leegstand van het in gebruik zijnde bedrijfsgebouw is op zichzelf eveneens onvoldoende om te concluderen dat zich relevante leegstand zal voordoen. Dit kan echter onder omstandigheden anders zijn, bijvoorbeeld indien het bedrijfsgebouw dermate bijzondere bouwkundige dan wel locatie-specifieke eigenschappen heeft, dat andersoortig gebruik - al dan niet door transformatie - niet of onder zeer bezwarende omstandigheden tot de mogelijkheden behoort, hetgeen niet licht zal kunnen worden aangenomen.
Voorts zou relevante leegstand zich voor kunnen doen bij leegstand als gevolg van de voorziene ontwikkeling in de omgeving van het bij de concurrent in gebruik zijnde bedrijfspand.
Niet aannemelijk hoeft te worden gemaakt dat het project zal kunnen leiden tot relevante leegstand van identieke zaken, bijvoorbeeld supermarkten. Voldoende is dat aannemelijk wordt gemaakt dat het project kan leiden tot leegstand van omliggende panden en dat die leegstand relevant kan zijn voor het ondernemingsklimaat in de directe omgeving van de winkel van de concurrent (uitspraak van 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3106 (Oldebroek)).
4.4. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat eventuele leegstand van het pand van [appellant] door realisering van het gezondheidscentrum niet als "relevante leegstand" kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om aan te nemen dat, indien het pand van [appellant] leeg zou komen te staan, andersoortig gebruik niet (of onder zeer bezwarende omstandigheden) tot de mogelijkheden behoort.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B.J. Schueler, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2021
418.